Pastorale 1999

In Langarm van Bob Rigter lijken alle Nederlandse oorlogsromans te zijn samengebald. Van ieder oerpersonage is één exemplaar aanwezig: één laffe notabel, één schlemielige NSB'er, één wrede doch muzikale Duitser, en het verzet bestaat uit een zonderlinge denker en één botte uitvoerder. Verder is er een onschuldig jongetje en een naïeve dienstmeid op wie iedereen verliefd is.

Het verhaal heeft ook alle oerkenmerken van het genre. In een stadje in Waterland valt een zinloze verzetsdaad in het water. De NSB'er wordt verdronken in zijn eigen plee, de onschuldige notabel wordt opgeblazen. Als love interest krijgt het tienjarige jongetje Louis iets moois met de dienstmeid Zwaan. Niet verwonderlijk dat de filmrechten van Langarm al waren verkocht vóór het boek uitkwam. Titelsuggestie: De pastorale overval in de schaduw van de verloren soldaat met het oranje haar.

Het zou gemakkelijk zijn om het tweede boek van tenorsaxofonist Bob Rigter (1934) te kraken als een clichématig genreboek, ware het niet dat het een goed boek is. Rigter vertelt met veel schwung en plezier, op de rand van het baldadige. Soms hilarisch, soms dromerig sensueel, vooral de passage waarin de jongen naar Zwaan kijkt terwijl zij zichzelf bevredigt. Soms is Rigter bot en hard. Als de Duitser de vingers van een joodse pianiste heeft gebroken, draait hij een grammofoonplaat van haar en zegt: ``Haar vingers... Ach du lieber Gott... Als u die vingers gezien had... Sie wird nie mehr Klavier spielen. Luister...'

De ingewikkelde plot zit knap in elkaar. Verschillende verhaallijnen kruisen elkaar op onverwachte punten en beïnvloeden elkaar op wonderlijke wijze. Toeval en misverstand spelen een vrolijk spel met de personages, die tevergeefs de gebeurtenissen proberen te doorgronden.

In al zijn onschuld is het juist Louis die het drama in gang zet. Doordat Louis het steeds over de K. (kanker) van zijn opa heeft, denkt de verzetsstrijder K. dat hij verraden is en gaat hij tot daden over. Doordat Louis zijn bamboefluit bij Zwaan laat liggen, wordt haar man jaloers en richt hij zijn verzetswerk op zijn vermeende rivaal, de brave notabel. Alle lijnen komen prachtig bij elkaar in het daverende slot.

De roman heeft zeven vertellers die om de beurt een eigen hoofdstuk vullen. Uit dit koor van stemmen moet de lezer het verhaal destilleren. Deze vorm is niet nieuw, maar werkt erg goed. Elke verteller heeft een duidelijk bij hem passende stijl. De gedachtenstroom van Louis weerspiegelt zijn onschuldige magische kinderwereld, de gedachtenstroom van Zwaan is dromerig, erotisch, grillig, terwijl de hoofdstukken van de notabel en de NSB'er afstandelijk en nuchter zijn.

Jammer is dat Rigter zijn roman in stukjes hakt door flink met witregels te smijten, een pretentieus trucje afgekeken van Gerrit Krol. Het is minder erg dan in zijn debuut Jazz in de Oostzee (1995) dat bijna volledig uit witregels bestond, maar in dat boek had het tenminste nog een functie, namelijk de tekst het aanzien van een bedachtzame jazzsolo vol denkpauzes geven.

Ook jammer is dat Rigter zijn roman afsluit met zeven pagina's voetnoten, waarin hij uitlegt dat hij naar Nescio en Van Eyck verwijst, waar het Englandspiel voor stond en waarom Colijn een oorlogsmisdadiger was. Voor de onderlegde lezer is dit allemaal overbodige informatie, en voor de niet-onderlegde lezer zou het overbodig moeten zijn. Een roman moet op eigen benen kunnen staan, zonder ondersteuning van een notenapparaat.

En dan is er nog de spotgoedkope symboliek van de stervende zwaan en het jongetje dat op zijn zelfgemaakte fluit leert spelen. Er is veel op deze roman aan te merken, niettemin is het een heerlijk boek.

Bob Rigter: Langarm.

Element, 192 blz. ƒ29,50