Ooghoogte 112 meter

Vanaf de Utrechtse Domtoren is `Panorama 2000' het beste te bekijken, de tentoonstelling waarvoor twintig kunstenaars de strijd aanbinden met een majestueus uitzicht.

De Domtoren in Utrecht is 112,5 meter hoog en om bovenin te komen moet je 365 treden beklimmen. Aan het begin gaat dat nog wel; de treden zijn breed en de glas-in-lood ramen werpen rood en paars licht over de oude stenen. Maar daarna wordt het trappenhuis kaler en smaller en is de lol er snel af. De Amerikaanse kunstenaar Otto Berchem (31) beklom de toren de afgelopen maanden zeker dertig keer. ,,De eerste veertig meter gaan nog wel'', grinnikt Berchem. ,,De volgende dertig zijn al zwaar. En bij de laatste dertig, op die kleine wenteltrappetjes in de top, slaat de claustrofobie toe, dan voel ik me net Superman die rondjes draait in een telefooncel.''

Maar Berchem moest wel, want hij was bezig om op het dak van een woning aan de Vismarkt een kunstwerk te installeren voor Panorama 2000. Het uitgangspunt van deze tentoonstelling, bedacht door directeur Sjarel Ex van het Utrechtse Centraal Museum, is dat alle kunstwerken bekeken moeten kunnen worden vanaf de Dom, dat majestueze markeringspunt dat boven heel Utrecht uitsteekt. Deels werd het idee ingegeven door praktische motieven; het Centraal Museum wordt al meer dan een jaar gerenoveerd en uitgebreid waardoor er in het museum geen exposities meer gehouden kunnen worden. Door de museummedewerkers wordt Panorama 2000 echter ook beschouwd als het vervolg op Nachtregels, de tentoonstelling uit 1991 waarbij alle kunstwerken in het donker bekeken moesten worden, wat er in de praktijk toe leidde dat het vooral een parade van lichtkunstwerken werd.

Ook nu, met Panorama 2000, heeft de locatie zo zijn problemen. Om de kunstenaars daar goed van te doordringen besloten Ex en zijn staf dat iedere deelnemer het uitzicht vanaf de Dom op z'n minst één keer zou moeten ervaren. En dus stommelden de afgelopen anderhalf jaar in gezelschap van de directeur of een van zijn medewerkers zo'n vijftig kunstenaars de toren op, van internationale `namen' als Ilja Kabakov, Douglas Gordon en Bjarne Melgaard tot meer locale sterren als Marlène Staals, Moritz Ebinger en Karin van Dam. Aan allemaal werd na het tochtje omhoog gevraagd een voorstel te doen, zonder daarbij direct de praktische uitvoerbaarheid in acht te nemen. Uiteindelijk zouden twintig van hen hun werk kunnen realiseren, elk met een budget van 2 à 3 ton.

Trapgat

Hoewel ze konden weten wat ze te wachten stond moeten de kunstenaars, toen ze uit dat benauwde trapgat omhoog kwamen, toch verrast zijn geweest over het overweldigende uitzicht dat zich voor hen uitstrekte. Vanaf de honderd-meter trans ligt heel Utrecht om je heen; een zee van stenen, bomen en oranje daken waarboven zich af en toe een toren verheft, zoals de NS-gebouwen in het centrum, de Fortis-toren in het oosten of de fabrieksschoorstenen van Douwe Egberts in het westen. En zelfs verder reikt de blik; op een heldere dag kun je Amsterdam bijna zien. Maar hoe indrukwekkend ook, voor de kunstenaars riep het uitzicht specifieke problemen op. In een oogopslag was bijvoorbeeld al duidelijk dat `gewone' kunst – een schilderij, een foto, een staand beeld – op deze tentoonstelling niet zou functioneren; vanaf de Dom zou er niet veel meer van overblijven dan een vage vlek van een paar centimeter. En wat de opdracht nog lastiger maakte was dat ieder kunstwerk de concurrentie aanmoet met de wereld. Niet alleen het uitzicht zou om aandacht vragen, maar ook de tientallen andere objecten, gebouwen, vlaggen en torens die vanaf de grond zelden aanschouwd kunnen worden, van de watertoren die zo mooi op een schaakstuk lijkt tot het geel-rode speelrek op een binnenplaatsje dat best een kleine sculptuur zou kunnen zijn. Je kunstwerk in die omstandigheden laten opvallen is wel wat anders dan een beeld neerzetten in de verstilde omgeving van een witte museumzaal.

Aan de andere kant moet de concurrentie met `de buitenwereld' veel van de deelnemers ook hebben uitgedaagd. Het past bij de belangrijkste tendens in de hedendaagse kunst: veel beeldend kunstenaars, vooral zij die meedoen aan grote exposities als Documenta of Manifesta, willen de veilige vesting van het museum verlaten. Ze maken films die zich nauwelijks van sociale documentaires onderscheiden, begeven zich op het Internet en werken samen met vormgevers en architecten en dat allemaal omdat ze geloven dat kunst zich niet, zoals in de l'art pour l'art-dagen hautain van de wereld moet afkeren, maar middenin het leven moet staan – zoals de Domtoren al eeuwen doet.

Het leuke van de opzet van Panorama 2000 is dat het voor al deze dilemma's oplossingen laat zien. Sommige van die ideeën waren zo spectaculair maar ook onmogelijk dat ze niet zijn uitgevoerd, maar wel in de catalogus zijn gedocumenteerd. Job Koelewijn stelde bijvoorbeeld voor, om boven een straat of plein in de buurt van de Dom een enorm vergrootglas te hangen, zodat de toeschouwers vanaf de toren mensen en objecten en detail zouden kunnen bekijken – dat de voorbijgangers onder het glas door de zon zouden worden weggeschroeid was hij even vergeten. De Deense kunstenaar Dan Wolgers bedacht het vermoedelijk door veel Utrechtenaren toegejuichte plan om het Fortis-gebouw, dat gezien vanaf de Dom opvallend lelijk tussen het groen oprijst, te laten `verdwijnen' door er een enorm camouflagescherm voor te plaatsen. Nog publieksvriendelijker was het plan van Wim T.Schippers die naast de Dom een gat wilde graven, net zo diep als de toren zelf, waarin de toeschouwers zouden kunnen rondwandelen, op excursie naar de aardlagen. Maar al deze plannen gingen niet door – te duur, te lastig of te gevaarlijk.

Reuzenkunst

Toch is Panorama uiteindelijk net zo'n `thematentoonstelling' geworden als Nachtregels. Gingen de werken toentertijd vooral over licht en donker, dit keer gaan de meeste beelden over afstand en formaat – Panorama 2000 is een tentoonstelling van reuzenkunst geworden, van werken die in een museum nooit zouden passen of onaangenaam megalomaan zouden zijn geweest. Op Panorama 2000 heeft niemand daar last van – een werk van een paar honderd vierkante meter valt niet uit de toon. Nadeel is wel dat sommige kunstenaars zich hebben laten verleiden tot het simpelweg opblazen van hun gebruikelijke werk. De Engelse kunstenaar Julian Opie, die eerder schapen, huizen en auto's maakte die eruit zagen alsof ze uit enorme Lego-blokken waren opgetrokken, transformeerde nu het complete Stadskasteel Oudaen tot een zwart-wit speelgoedkasteel met behulp van 900 vierkante meter labutec, een soort plastic. Aernout Mik gaat boven de Neudeflat een vijftien meter hoge ballon hangen van twee wezenloos kijkende, Aziatische mannen die dicht tegen elkaar aanstaand door de lucht zweven – te letterlijk een opgeblazen versie van zijn thematiek. En Han Schuil drapeerde het roestvrije staal waar hij normaal zijn schilderijen op maakt nu over een huis aan de Domstraat. Dat mag dan mooi glimmen in de zon, het voegt weinig opzienbarends toe, noch aan het huis, noch aan het oeuvre van Schuil.

Bij andere kunstenaars pakt het opblazen van een kleine foto beter uit, vaak omdat ze al langer met iets soortgelijks bezig zijn en er dus beter over hebben nagedacht. De Haarlemse kunstenaar Luuk Wilmering bijvoorbeeld, maakt al jaren foto's van zichzelf die hij soms ook op billboards tentoonstelt. Toen hij van Panorama 2000 hoorde, maakte hij een plan. ,,Zonder op de Dom geweest te zijn'', zegt Wilmering, ,,zag ik een man voor me, die staande in een raam, de hele dag een verdorde plant water geeft. En hoewel ik niet was uitgenodigd besloot ik het idee toch maar op te sturen. Kort daarna kreeg ik een briefje van Sjarel Ex dat Ilja Kabakov en Thomas Huber ook al met zo'n plan waren gekomen. Maar als ik nog iets anders had was ik van harte welkom. Gelukkig had ik toen al iets beters bedacht.'' Het werk van Wilmering dat nu is uitgevoerd is een billboard dat schuin boven café `De Winkel van Sinkel' aan de Oudegracht hangt. De kunstenaar is er zelf op te zien, naakt, staande tussen struiken en hoog gras. Hij heeft een baardje en kijkt de toeschouwer aan met een woeste blik, als een strijdbare wilde die iedere indringer uit zijn gebied wil verjagen. Vanaf de Dom ziet het eruit als een een ansichtkaart uit een gebied dat de toeschouwer nooit zal kunnen betreden, want de kunstenaar houdt de wacht. ,,Juist op deze tentoonstelling waar alles draait om de stedelijk omgeving, wilde ik de toeschouwer een rustpunt geven, iets dat te behappen was. Maar ze moeten het ook niet cadeau krijgen.''

Steigergaas

Net als Wilmering zijn er meer kunstenaars die de ongebruikelijke tentoonstellingslocatie in hun voordeel hebben gebruikt. De Nederlandse Karin van Dam bijvoorbeeld geeft de toeschouwer de mogelijkheid om haar werk vanaf drie standpunten (de transen van veertig, zeventig en honderd meter) te bekijken. Het draait als het ware mee met de toeschouwer, doordat er vanaf iedere trans nieuwe onderdelen zichtbaar worden. Van Dam, van oorsprong tekenares, is de afgelopen jaren steeds meer `getekende' beelden gaan maken: installaties die in de ruimte staan of hangen en die zijn opgebouwd uit papieren cirkels en ovalen die over elkaar heen liggen of bungelen aan touwen en draden. Voor Panorama 2000 maakte ze haar tot nu toe grootste installatie, op het dak van de Buurkerk, vlak naast de Dom. Daar verrijst een metershoge, ingewikkelde structuur van steigers, steigergaas, stortemmers, planken en gele buizen die zo groot en bewerkelijk is dat Van Dam minstens drie man nodig heeft om een lijn (in dit geval een buis of een stortkoker) te kunnen `trekken'. Dat haar installatie zo arbeidsintensief is dat die op de opening nog niet af zal zijn betreurt ze dan ook niet. Ze heeft al besloten dat ze haar `werknemers' tijdens de opening in gele pakken zal steken, zodat ze extra opvallen en deel gaan uitmaken van de installatie.

De beste, en ook de leukste kunstwerken op Panorama 2000 zijn echter gemaakt door kunstenaars die de strijd met de omgeving proberen te winnen door een vorm van entertainment te bieden. Het zijn de projecten die het meeste indruk maken, al is het maar omdat ze meestal van kunstenaars zijn die ervaren zijn in soortgelijk werk en daarom de meest inventieve oplossingen weten te vinden om de toeschouwer te verleiden.

Het duidelijkste voorbeeld daarvan is het werk van de Eindhovense kunstenaar John Körmeling, die ook al aan Nachtregels meedeed. Hij laat op het Lucasbolwerk een reuzenrad neerzetten van 33 meter hoogte waar voor de verandering geen mensen, maar hele auto's in naar boven gedraaid kunnen worden. Vier middenklassers per keer die de tentoonstelling stevig schommelend kunnen bekijken – een lift en een beangstigende kermisattractie ineen.

Ook het werk van de Amerikaanse kunstenaar Otto Berchem appelleert op een slimme manier aan de verlangens die op deze hoogte bij de toeschouwer opkomen. Zijn Glass Ceiling is niet meer dan een enorme ruit, die het originele dak vervangt van een woning aan de Vismarkt, net onder de Dom. Een eenvoudige ingreep, maar die heeft tot gevolg dat iedereen die de komende maanden op de transen van de Dom staat het leven van de twee studenten in de woning kan bekijken – een live `web-cam', daar doet het nog het meest aan denken, ware het niet dat de toeschouwer hier een verrekijker nodig heeft om de peultjes op hun borden te kunnen tellen. ,,Als Amerikaan heb ik het altijd fascinerend gevonden dat je bij Nederlandse huiskamers zo makkelijk naar binnen kunt kijken'', zegt Berchem. ,,En nog vreemder dat het gemakkelijk kan, maar niet gewenst is – als ik het probeer, voel ik me altijd een voyeur. Door dit glazen dak kunnen de toeschouwers nu ongelimiteerd bij de bewoners naar binnen kijken. En hoewel de bewoners daarmee instemmen hoop ik dat het publiek zich toch een beetje voyeur voelt – als je op de veertig meter-trans staat zien de bewoners jou namelijk ook.''

Nog beter werkt het beeld van de Bredaase kunstenaar Tom Claassen. De afgelopen jaren plaatste hij al een hele dierentuin van bronzen beelden door heel Nederland, waaronder een paard en een konijn in Utrecht en een groepje olifanten die in aanbouw zijn bij Lelystad. Geheel in de traditie bedacht Claassen voor Panorama 2000 een mus van vier bij vier meter die direct onder de Dom, op het dak van de muziekschool staat. Vanaf de top bezien heeft het beest precies dezelfde proporties als een mus die rondscharrelt aan de voeten van een staande mens. Het effect is bijzonder: op de honderd-meter trans, kijkend naar die rare mus, krijgt de toeschouwer de sensatie dat de Dom één enorme menselijke gestalte is, met hemzelf als de ogen. Even voelt hij zich één met de Dom – en hij verliest ieder verlangen om nog naar beneden te gaan.

Panorama 2000. Vanaf de Domtoren, Utrecht. Geopend: di t/m zo 10-18u (laatste groep om 17.00u naar boven), donderdag 10-21u. Toegang ƒ15,-, kaarten voor de lift ook ƒ15,-. Info: www.panorama2000.com

Onder de Dom zit een mus van vier meter hoog

Dit is wel wat anders

dan een beeld in

een verstilde museumzaal