`Onfatsoen van artsen al aanpakken bij opleiding'

De houding van artsen in opleiding aan het bed van een patiënt verslechtert. In een vroeg stadium moet de student meer fatsoen worden bijgebracht.

,,Hallo, zo vrouwtje, en hoe gaat het met je, kan je al weer wat? Je mag proberen rechtop te zitten.'' Zo begroet een arts in opleiding een 89-jarige patiënte.

De docenten die hem begeleiden knijpen de tenen bij elkaar. De mevrouw in kwestie durft niets meer te zeggen. Als de student even later in de gang op zijn verkeerde houding wordt gewezen, is het antwoord dat hij toch goed bedoelt.

Aan die goede bedoelingen twijfelden de onderzoekers van de `Visitatiecommissie medische opleidingen' twee jaar geleden. Het grootste deel van landelijke klachten (317) bij het Medisch Tuchtcollege ontstaat door miscommunicatie, onbegrip, onfatsoen en niet luisteren. Na een advies van deze visitatiecommissie zullen de universiteiten van Leiden, Rotterdam en Utrecht bij de artsenopleiding met ingang van het nieuwe academische jaar meer aandacht besteden aan het bijbrengen van de juiste beroepshouding en dan ook meteen vanaf het eerste jaar.

De universiteiten van Groningen, Nijmegen en Maastricht kennen modernere opleidingen en doen er al meer aan. Bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam worden studenten in het vijfde jaar al tweemaal getoetst op fatsoen, respect, normen, waarden en vooroordelen. Wie daarvoor zakt mag zijn studie niet afmaken.

In Leiden wordt in het vijfde jaar aandacht besteed aan het omgaan met patiënten. Leidster van het project, drs. B. van Knippenberg-van den Berg, is van mening dat studenten zich na vier jaar theorie vooral richten op het ziektebeeld en de daarbij horende kenmerken. Hierdoor verliezen zij de aandacht bij het gesprek met de patiënt en komen ze al gauw `bot' over.

,,De huidige studenten zijn minder vertrouwd met `mores', zoals die vroeger bij verenigingen en in het gezin aandacht kregen. Wat minder gevoel is een teken van deze tijd. Daarom gaat Leiden al in een eerder stadium beginnen om de houding van artsen in spe te verbeteren.''

Volgens dr. V. Batenburg, coördinator van de nieuwe cursus beroepshouding voor artsen in Utrecht, golden in de medische opleidingen in Nederland te lang de `meester-gezel verhoudingen'. Er werden weinig vragen gesteld en de vragen die de patiënt zelf had kwamen nauwelijks aan de orde.

Sommige artsen in opleiding ontwikkelen meer feitenkennis dan inzicht en ze worden volgens Batenburg cynischer en botter in de loop van hun opleiding. Ze noemt de kans op deze slijtage in beroepshouding levensgroot wanneer de leerstof eenzijdig medisch-technisch is gericht en wanneer er niet expliciet aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van de juiste houding.

Batenburg: ,,Jezelf de juiste attitude aanmeten begint met zelfkennis. Te lang heeft men in het onderwijs gedacht dat kennis en kundigheid voldoende waren. Maar er komt meer aan te pas. Betrokkenheid en afstand zijn beide nodig.

Daarom moet een arts inzicht hebben in de eigen gevoelens, grenzen, normen en waarden en het effect daarvan op het contact met de patiënt. In Utrecht willen we dat al vanaf het eerste jaar aan de orde stellen met een team van student-assistenten, psychologen en huisartsen. We beginnen met veertig uur cursussen communicatie en beroepshouding al in het eerste jaar. Daarbij willen we de nadruk leggen op het feit dat aandacht en houding even belangrijk zijn als de zuiver klinische zorg. Wat technisch allemaal is uitgedokterd kan overschaduwd worden door een zorgeloze houding aan het bed.''

De eerstejaars studenten krijgen lessen waarbij op video gesprekken worden opgenomen met vrijwilligers die de rol van patiënt spelen. De studenten kijken daarna samen met hun begeleiders naar de opnamen en discussiëren over hun aanpak. Als daar aanleiding toe is, oefenen zij kritiek op elkaar uit, wat nu vaak achterwege blijft. Eerder in hun studie dan gebruikelijk gaan ze langs de bedden van echte patiënten.

In Leiden en Rotterdam wil men ook al in september beginnen, maar de opleiders daar zijn het nog niet met elkaar eens over de inhoud van de nieuwe cursussen. Ook zou er te weinig geld zijn om voldoende docenten vrij te maken.

Specialist dr. J. Hulshof, lid van de projectgroep onderwijsvernieuwing van het Leids Universitair Medisch Centrum, staat sceptisch tegenover het bijbrengen van deze vaardigheden. ,,Of je hebt het thuis geleerd of niet. Fatsoen bijbrengen, dat lukt maar zelden. Waar ik wel in geloof, is dat de docenten zich misschien nog meer moeten inzetten om een goed voorbeeld te geven.''

Batenburg is het niet met Hulshof eens. ,,Het inzicht is gegroeid dat de houding van medici en van artsen in opleiding weliswaar taai is, maar niettemin plooibaar. Zij kan wel degelijk veranderen door het opnemen van informatie en ervaring. Daarom heeft het zin daar vroeg les in te geven.''