Leuke meisjes houden van grote honden

Gnarp: mooie naam, van een afgelegen gehucht ergens in Zweden. In maart 1858 kocht een man in Gnarp voor weinig geld kogels, koord en kruit. Het aankoopbedrag werd ergens opgetekend en die notitie vormde honderd jaar later voor de Zweedse dichter Lars Gustafsson de aanleiding voor een gedicht. Gustafsson vermoedt dat de man uit Gnarp op korhoenders wilde gaan jagen, maar daarmee loopt ieder spoor ook meteen dood. Hij ziet hem als het ware vanuit het gehucht het bos in gaan, onder de dennen, daarna `verliezen wij hem uit het oog.' Het is wel zeker dat we hem ook nooit meer terug zullen zien. `U moet mij begrijpen' zegt Gustafsson, als een denkbeeldige dominee, tegen ons, denkbeeldige nabestaanden, `wij zullen er nooit achter komen wie hij was.' Het leven van de onbekende Gnarpse korhoenjager kan kort worden samengevat, en dat gebeurt dan ook, in de slotregels: `Na op zoek naar vogels te zijn gegaan/ is hij tot in alle eeuwigheid verloren.'

Het is een op het eerste gezicht eenvoudig en helder gedicht. De strekking lijkt ook wel duidelijk: zie hoe kort, vergeefs, vergankelijk, onkenbaar het menselijk leven is. Toch is er met het gedicht iets raars en raadselachtigs aan de hand. Het lijkt te gaan om de herdenking van iemand die ons in de loop van het gedicht dierbaar zou moeten worden, een droevig stemmend geval van vermissing, al wordt aan dat sentiment ook weer niet te veel toegegeven: de man blijft een naamloze uit een vorige eeuw. Hij wordt hier wel enigszins tot leven gebracht, maar niet al te veel. Over zijn lot wordt heel even gespeculeerd, maar niet erg scherpzinnig (zo kan er bij kogels, koord en kruit ook nog wel aan iets anders dan korhoenderjacht worden gedacht). Het gedicht heet `Een raadselachtige verdwijning', maar van een verdwijning is strikt genomen geen sprake, en van raadselachtigheid ook niet. Het gaat hier om een alledaagse gebeurtenis, een toevallig bewaard gebleven aankoopbewijs, niet nader gedocumenteerd. Als dat al raadselachtig is, dan is alles in het leven misschien wel raadselachtig - en wellicht zijn we daarmee onbedoeld al op een levensopvatting van Gustafsson gestuit.

In hetzelfde gedicht spreekt Gustafsson over het moment 's avonds laat `wanneer vermoeidheid ons ontspant/ en ons doet inzien dat wij niemand zijn of allen', en in één moeite door over de mogelijkheid dat ons gezicht dan voor één ogenblik de trekken van de raadselachtig verdwenen man uit Gnarp zou kunnen aannemen. Het staat er luchtigjes, tussen neus en lippen door geformuleerd, maar het lijkt mij intussen duizelingwekkend genoeg. Ik kan me er eerlijk gezegd alles en niets bij voorstellen, bij dat gevoel niemand of allen te zijn. En dat wij dan even, al dan niet letterlijk, familie zouden kunnen zijn van een korhoenjager uit Gnarp: het is een mooie gedachte, al blijft zij verder onuitgewerkt. Is het troostrijk, te bedenken dat iemand een eeuw na zijn verdwijnen nog zou kunnen terugkeren in de gelaatstrekken van een vreemde, al is het dan ook maar `voor één ogenblik'? Of is dat eerder een tragisch denkbeeld, omdat het ons volgens Gustafsson, juist vanwege onze vermoeidheid, niet eens zou opvallen?

Futen

Het zijn nogal wat overwegingen bij elkaar en ze zijn ook nogal verschillend van kaliber. Ze maken, voor mij althans, van een op het eerste gezicht nuchter en eenvoudig gedicht een moeilijk te benoemen, intrigerend, ook wel wat verwarrend geheel. Dat overkwam mij vaker bij het lezen van Een raadselachtige verdwijning, een ruime bloemlezing uit de poëzie van Gustafsson, gekozen en vertaald door J. Bernlef. De verwarring wordt, denk ik, veroorzaakt door de schijnhelderheid van Gustafssons poëzie. Zijn aanleidingen zijn vaak concreet genoeg: hij heeft een voorkeur voor mechanieken, machines en mathematica, meer in het algemeen voor systemen en meetbaarheden. Maar daarnaast is er zijn meer irrationele kant, zijn oog voor het vreemde en onverklaarbare en zijn gevoel voor het raadselachtige. In de artikelen over Gustafsson worden die twee kanten vaak tegenover elkaar gezet: de filosoof tegenover de dichter, de wetenschapper tegenover de kunstenaar, ratio tegenover gevoel. Hij is een dichter die schrijft over entropie én futen, meteorologie én Mozart, topologische problemen én leuke meisjes (uit de kleine steden in het westen, die zo van grote honden houden). Het wezen van Gustafssons poëzie, en van zijn blik op de wereld, schuilt niet in die leuke afwisseling van systematiek en sentiment, maar eerder in zijn vreemde vermenging ervan. Zijn gedichten spelen zich af in een moeilijk te benoemen tussengebied, vanwaaruit met een verwrongen blik naar de zogenaamde werkelijkheid wordt gekeken, met scheve doorkijkjes naar het humoristische en het absurde en afglijdingen naar het irrationele.

Neem het Gnarp-gedicht: dat is niet een anekdotisch geval dat halverwege door de dichter maar eens verzwaard wordt met wat existentiële vraagstellerij – het is welbeschouwd van begin tot eind een vreemd gedicht, met vreemd-filosofische veronderstellingen, vreemd-humoristische accenten, vreemd-tragische terzijdes en helemaal geen eenduidige conclusie. Of neem een gedicht als `De kaart'. Het handelt over een kaart die de houder ervan geen recht op een zitplaats geeft, niet op seksuele diensten, levensmiddelen of een dak boven het hoofd en ook niet op het bezit van andere kaarten. Het is een kaart die de houder het recht geeft `om zo lang als hij wil, zijn kaart te behouden.' Einde van het gedicht. Het is volkomen helder, maar natuurlijk ook volstrekt absurd. `Ligplaats' is ook zo'n geval. Daarin krijgt de dichter zomaar een ligplaats voor zijn boot aangeboden. Op kosten van de gemeente, dus dat is mooi. Bij inspectie blijkt het te gaan om `een dertig meter lang en circa drie meter breed kanaal', dat zich ook nog eens middenop een kerkhof bevindt. Hij mag de ligplaats gebruiken, maar wel op voorwaarde dat de boot er voor altijd moet blijven liggen.

Voor dit soort absurde ontsporingen, vicieuze verdraaiingen en halve omkeringen heeft Gustafsson een voorkeur. Zo is er de met veel aandacht voor het detail beschreven vuur- en luchtmachine, waarmee men maximaal één keer kan opstijgen, aangezien `wederkeer' niet mogelijk is. In een verhandeling over `de goede regering' kan men lezen dat zo'n regering ervoor moet zorgen dat `de karpers in de bronnen wonen, de zwaluwen/ onder de daklijsten, de landarbeiders bij hun akkers,/ de oude houthakkers in hun bossen' en tevens dienen de boeken `ongestraft in de boekenkasten te staan'. Er is de verbluffende verhandeling over hoe de stilte op de wereld geklonken moet hebben voordat er ooit muziek van Bach had geklonken. Er is een al even verbluffende ballade over de oude voetpaden in Västmanland: paden met een eigen wil, niet van plan zich in het moeras dood te lopen, maar er met een rustige boog omheen leidend, `met de zekerheid van iemand/ die het vaker heeft meegemaakt.'

Voor het nauwelijks zichtbare `schrift' van deze voetpaden heeft Gustafsson een speciaal oog.

Rozenbottelsoep

Zo zijn er wel meer plekken waarop hij de indruk wekt een beter zicht op de werkelijkheid te hebben dan de gemiddelde lezer, of betere oren, of speciale antennes voor andere werkelijkheden. Dat geldt mischien wel voor alle bijzondere dichters. Gustafssons poëzie is poëzie van verscherpte waarneming, verhoogd bewustzijn, soms met de schijn van zienerschap. In een flits trekken hier soms de verbluffendste vergelijkingen voorbij. De uitdijende wolk room in de rozenbottelsoep uit zijn jeugd – en een planetenstelsel in wording. Het glinsteren van spectraallijnen van wateratomen – en de siddering die door het lijf van een dromende hond trekt. De vele stemmen in een vroeg merelconcert - en de geschiedenis van de filosofie.

Tegenover al deze verbanden, die voor Gustafsson als het ware voor het oprapen liggen, is er ook, en meer dan eens, het inzicht dat er geen samenhang bestaat, en dat alles nutteloos is. `Hulpeloos zie je de zinledigheid in' staat er dan bijvoorbeeld. Gustafsson schrijft de mooiste regels over de strenge schoonheid van stille Scandinavische sneeuwlandschappen, als de winterdag `wit en schaduwloos zijn porseleinlicht over uitgestrekte ijsgebieden vlijt'. Maar hetzelfde decor kan ook de grootste eenzaamheid en nietigheid uitdrukken: `Soms zijn wij droge sneeuwkristallen,/ voortgedreven door een ijskoude wind, wervelend// over de uitgestrekte glanzende ijsvlaktes. Genadeloos.'

Tegenover de verhoogde aandacht voor de wereld staat het vermoeden dat deze wereld niet de echte is, met alle gevoelens van vervreemding van dien: `Wij behoren niet tot de werkelijke wereld', `De werkelijke dingen zijn niet zoals wij' en `Wat wij `ik' noemen/ is het meest onpersoonlijke dat wij bezitten.'

Het is om dit soort flukse tournures dat ik niet goed weet waar `de echte Gustafsson' zich ophoudt – een opmerking waarop Gustafsson desgevraagd vermoedelijk zou antwoorden dat hij het zelf ook niet weet. Ergens spreekt hij met zoveel woorden zijn voorkeur uit voor tussengebieden, voor `volkomen neutrale plekken', voor `iets dat zich/ tussen de normale toestanden bevindt, dat noch het een noch het ander is.' En waarom? Omdat dit tussengebied `het grote lege, eerlijke gezicht/ van de werkelijke wereld' toont. In een ander gedicht gaat het al even stellig over `het angstaanjagend grote/ gezicht van de werkelijke wereld' dat `tussen de ogenblikken schemert' en waar wij af en toe, tussen twee losse ogenblikken door, een blik op zouden kunnen werpen. Wat er met deze veronderstelde werkelijke werkelijkheid (achter of onder of tussen de zogenaamde werkelijkheid) bedoeld is, weet ik niet, al kan iedereeen zich er vast wel iets bij voorstellen. Zulke hyperwerkelijkheden verklaren vermoedelijk ook het fragmentarische karakter van Gustafssons gedichten: tussenpoëzie is het, momentenpoëzie, steeds weer veroverd op veel onzekerheid, relativering en elementaire twijfel.

Dat geldt niet voor zijn balladen en elegieën, waarvan deze bloemlezing er een stuk of tien bevat: bladzijdenlange gedichten, waarin Gustafsson zich veel minder van dit alles bewust lijkt te zijn. Daarin geeft hij zich onbeschroomd over aan het simpelweg vertellen. Ze behoren tot zijn mooiste gedichten – al moet gezegd dat ze door hun volkomen vrije vorm eigenlijk geen gedichten meer mogen heten. Verbluffende gegevens, subtiele en tastende formuleringen, langzame opbouw van de spanning, goede dosering van versnelling en vertraging, een klassieke toon – van deze prozaïsche elementen moeten ze het hebben. Maar soms dringt de lyriek zich dan toch aan het proza op, zoals in deze uitvlucht aan het slot van een ballade: een ode aan de nacht, de stilte en de sneeuw, waarin de dichter wel lijkt te willen verdwijnen:

Sneeuw, ik verlang naar sneeuw, het

liefst sneeuw

die valt over verlaten kastelen, over

op Franse wijze strak aangelegde

parken

die ons niet meer kunnen verontrusten,

sneeuw

onder maanlicht, pas gevallen sneeuw,

en over

de pas gevallen sneeuw, geluidloos,

hoopvol,

de schaduwvlucht van de katuil.

Lars Gustafsson: Een raadselachtige verdwijning. Een keuze uit de gedichten 1950-e1996. Keuze, vert. en nawoord J. Bernlef. De Bezige Bij, 196 blz. ƒ45,-