Kunst- en welzijnsbeleid

Hoe komt het dat de ideeën van Van der Ploeg zulke heftige reacties oproepen? Ik stel voorop dat de staatssecretaris het zijn critici wel heel gemakkelijk maakt. Zelden heb ik een culturele beleidsnota gelezen waarin de inhoud verhelderd wordt met zulke onnozele voorbeelden uit de beroepspraktijk. Je vraagt je af waar de staatssecretaris zijn ambtenaren voor gebruikt. In ieder geval niet om de kracht van zijn betoog te voorzien van intelligent gekozen illustraties. Daarmee zet hij, helaas, de deur open voor kritiek die op emoties is gebaseerd en nauwelijks op rede.

Het is jammer dat de staatssecretaris, wiens visie ik overigens geheel deel, in zijn betoog een aantal zaken niet helderder heeft uitgelicht. Wie de multiculturele discussie al enige tijd volgt, bemerkt hoe contraproductief het kan zijn om kunstbeleid en maatschappijvisie zonder meer op een hoop te gooien. Men kan, integendeel, zowel het regeringsbeleid gericht op maatschappelijke integratie van nieuwe Nederlanders steunen, als voorstander zijn van culturele diversiteit. Daartegenover is het gevaarlijk om te suggereren dat kunstbeleid het wegwerken van maatschappelijke achterstanden kan bevorderen. Tot nu toe zijn gedachten als deze, die meer op idealisme dan op realiteit waren gebaseerd, weinig succesvol geweest. Wel kan cultuurbeleving voor allochtonen bijdragen aan een terecht gevoel van eigenwaarde en identiteit. In deze zin bedoeld is het hard nodig dat de in de jaren tachtig zo scherp doorgesneden verbindingen tussen het kunstbeleid en het welzijnsbeleid worden hersteld. Niet om van kunstbeleid welzijnsbeleid te maken – zoals de critici menen – maar om twee beleidsterreinen die zo veel van elkaar kunnen leren weer dichter bijeen te brengen dan nu gebruikelijk is. Mijn eigen ervaring met een jaar `honorair' cultuurmakelaarschap in de deelgemeente Feijenoord leert me hoezeer het welzijns- en opbouwwerk baat kan hebben bij de invoering van de culturele component.

Culturele diversiteit gaat uit van de leidende gedachte dat er geen redenen aanwezig zijn om de cultuur van de ene groep superieur aan die van een andere te verklaren. Als er al sprake is van een recht, is dat het recht om verschillend te zijn. Het recht op verschil als voorwaarde voor gelijkwaardigheid van mensen en culturen.

De staatssecretaris heeft groot gelijk als hij zegt dat het hoog tijd wordt de rol van de overheid met betrekking tot de culturele diversiteit te herdefiniëren. Alle mooie woorden tot nu toe ten spijt heeft dezelfde overheid tot nu toe bitter weinig gedaan om een mentaliteitsverandering teweeg te brengen in het kunstenveld. Zelfs het niet naleven van de eenvoudigst te bewerkstelligen veranderingen, zoals een evenwichtiger samenstelling van besturen of adviescommissies, had geen consequenties. Multicultureel debatteren werd aan anderen overgelaten, het leidde nergens tot het doen van principieel andere keuzen. Ook de zogenaamd goede voorbeelden van multicultureel beleid in zijn nota heeft Van der Ploeg wijselijk maar niet in termen van geld vertaald. Ik schat zo in dat het totaal in een beschamende verhouding staat tot de bij elkaar opgetelde algemene kunstbudgetten van de overheden.

De term culturele diversiteit zal, vermoed ik, op termijn de uitgeholde begrippen multi- en interculturaliteit vervangen. Het aardige van het begrip culturele diversiteit is dat het moeiteloos tegemoet komt aan het hierboven bepleite recht op verschil in casu cultureel pluralisme. Het moet in dit geval duidelijk zijn dat wij het niet alleen hebben over etnische maar ook over sociale diversiteit.

De staatssecretaris valt bij voortduring in de door hemzelf gegraven kuil, als hij suggereert dat de gesubsidieerde kunstinstellingen hun poorten veel meer open moeten zetten voor al die oude en nieuwe Nederlanders die tezamen onze bevolking vormen. Alsof die daaraan behoefte moeten hebben.