Japan

Naar aanleiding van het artikel over Japan en Japanners (Boeken 14.5.99) het volgende. Gedurende de laatste Wereldoorlog was ik krijgsgevangen en maakte de bouw van de Birma-spoorweg mee. Toen deze voldoende gereed was om daarover met een snelheid van ongeveer twaalf kilometer per uur een trein te laten rijden, werden wij (krijgsgevangenen) met deze trein afgevoerd naar de laagvlakte van Thailand, een land van melk en honing. In de open wagons zaten enige Japanse soldaten, die er zó slecht aan toe waren dat wij medelijden met hen hadden. Zij vertelden ons dat zij in Birma hadden gevochten. Daar hadden zij malaria en dysenterie gekregen. Toen zij niet meer konden, werd hun geweer afgenomen. Vervolgens kregen zij een hevig pak slaag en werden zonder eten of drinken op de trein naar Thailand gezet, vanaf Birma een reis van ongeveer vier dagen. Onderweg hadden zij van de krijgsgevangenen eten en drinken gekregen. Onze conclusie was dat als zij hun eigen mensen zó behandelden, wij goed waren behandeld. Als vierde stuurman van de Koninklijke Java-China-Japan Lijn had ik eerder met Japanners kennisgemaakt en was tot de volgende vergelijking met Duitsers gekomen: het land is mooi, de meisjes zijn lief en de mannen zijn lui. Dat de mannen zo zijn, is te danken aan de moeders, die de jongens vertroetelen en de meisjes het werk thuis laten doen.