Het trauma van de jaren '60

Autoriteiten uit de kunstwereld oordeelden negatief over de beleidsnota van staatssecretaris Van der Ploeg (CS 28/5). Cineast Hany Abu-Assad (`Het veertiende kippetje') en Robert de Haas, directeur van de Rotterdamse Kunststichting, gaan in op die heftige reacties.

Kunstsubsidie is bedoeld voor slecht toegankelijke kunst. Het is voor makers die veranderingen in zichzelf en dus ook in het culturele verkeer weerspiegelen en veroorzaken, zonder dat ze belemmerd worden door nevenzaken zoals geld verdienen.

Alleen: blijft die ontoegankelijke kunst door de jaren heen hetzelfde? En zo niet, kunnen de culturele beslissers die onderhand flink aan het vergrijzen zijn het dan als zodanig herkennen en er een oordeel over vormen? Het publiek dat de gesubsidieerde kunst bezoekt is ook aan het vergrijzen, en als die kunst te ver verwijderd raakt van een nieuw publiek, weerspiegelt ze in ieder geval niet meer het culturele verkeer, waar dat gemeenschappelijke geld nou juist voor bedoeld was.

Maatregelen van Rick van der Ploeg om de vergrijzing van het culturele beleid tegen te gaan zorgen voor veel ophef. Uiteraard, ophef uit de hoek van de gevestigde garde. Hun duidelijke kreet is `Talent en kwaliteit is het enige dat telt' waar ik het niet anders dan mee eens kan zijn.

De vraag is wie de autoriteit claimt om talent en kwaliteit te bepalen. Behoort dit slechts toe aan één tijd of generatie? Kwaliteit is afhankelijk van ontwikkeld talent, talent ontwikkel je door ervaring op te doen en door kansen te creëren vergroot je je ervaring.

De neiging van de culturele beslissers om nieuwe kunst louter aan hun eigen maatstaven te toetsen en als verlengstuk van hun eigen ideeën te willen beschouwen gaat voorbij aan het feit dat er voor elke kunstenaar enige ruimte tot falen en leren moet zijn. Iedere kunstenaar moet door de fasen van kleuter- en pubertijd heen om volwassen te worden. Een voorbeeld hiervan is het televisieprogramma Hoepla, dat eind jaren '60 hevig werd bekritiseerd en zelfs enkele jaren van de buis werd verbannen. Het programma wordt nu algemeen beschouwd als een toonaangevend en vernieuwend werk, dat de trend zette voor een nieuwe manier van televisiemaken. Dit neemt echter niet weg dat het programma zelf van een onvolwassen kwaliteit was.

Bovendien mag bij de beoordeling van talent en kwaliteit niet uit het oog verloren worden, dat deze onlosmakelijk met de tijdgeest verbonden zijn. Zo zijn nu vraagstukken als globalisering, vervlakking en het verliezen van idealen aan de orde en dienen talenten van nu tegen deze achtergrond te worden beoordeeld. Het in de juiste context schatten van contemporaine werken als junglemuziek of nieuwe media is voor de vergrijzende culturele autoriteiten weliswaar lastig omdat voor een werkelijke beoordeling een zekere identificatie noodzakelijk is, maar zeker niet onmogelijk.

De klassieke klacht dat er onvoldoende talent te vinden is, duidt slechts op de kloof tussen de gevestigde culturele autoriteiten en de culturele veranderingen. Een kloof die overigens ook duidelijk wordt in het wegblijven van nieuw publiek bij gesubsidieerde kunst.

Of de voorgestelde maatregelen effectief kunnen zijn of niet, weet ik niet – ik ben immers geen staatssecretaris – maar een ding is zeker. De meeste van de huidige beleidsmakers en invloedrijke culturele personen zijn de revolutionairen van de jaren '60. Bij iedere poging tot verandering van een nieuwe generatie voelen zij een hete adem in hun nek.

Zelf hebben de babyboomers het snel en gemakkelijk kunnen winnen van de generatie ervoor. Niet omdat ze zo geweldig waren, maar omdat de generatie voor hen oorlogsmoe was. Letterlijk. Na de Duitsers had men geen zin in onbehoorlijke pubers en heeft men zo snel mogelijk het slagveld verlaten. Hoe dan ook raakten de babyboomers jaren lang overtuigd van hun eigen kwaliteit, zonder hun succes in de juiste context te willen zien.

De eigen puberteit van de zich ontwikkelende kunstenaars in de jaren '60 en de matige kwaliteit die daarbij hoorde werd effectief verdrongen. Bovendien vergat men dat dit zich afspeelde in een tijdperk van – zeker met deze tijd vergeleken – ongekende mogelijkheden qua kansen, tijd en financiën. De overheid kocht bij voorbeeld en masse werken van Nederlandse kunstenaars, terwijl de staat een paar jaar geleden nog niet eens de opslag van de werken kon betalen.

Bij de eerste tekenen van de opmars van een nieuwe generatie – nota bene hun eigen product – riepen de babyboomers dat deze zogenaamde generatie X tot niets in staat was. Achter de uiterst conservatieve kreten uit de monden van de ex-revolutionairen schuilt een overigens heel begrijpelijke angst. De angst zelf beoordeeld te worden op de realisatie van hun idealen. De tijd dat ze bij `het lieverdje' met bloemen in hun haren `Meneer de president slaap zacht' zongen ligt nog vers in het geheugen, maar voorlopig is van hun nobele doelen niet veel meer terecht gekomen dan een aantal stijlvolle grachtenpanden.

Terwijl blijkbaar een staatssecretaris op moet komen voor één van hun belangrijkste idealen en het creëren van kansen voor jonge kunstenaars beleidsmatig afdwingt. Als de verantwoordelijken mogen zij zich deze merkwaardige situatie terdege aantrekken.

Nu de dag des oordeels nadert vrezen ze dat de opkomende generatie ordinair gaat schoppen en een revolutie wil ontketenen, hoewel daar tot nu toe geen aanwijzingen voor zijn. Bewust of onbewust zijn ze bang dat ze op een zelfde onbehoorlijke wijze aan de kant worden gezet en belachelijk worden gemaakt, als zij het met degenen voor hen hebben gedaan.

Hierdoor wordt het fundament van het trauma van de jaren '60 generatie gevormd.

Hun krampachtig ogende reacties vallen gedeeltelijk te verklaren voor de `natuurwet' van de arrogantie van de macht en de daaraan gekoppelde paranoia. Volgens deze `wet' gaat elke macht er instinctief van uit dat zij het eindpunt van een ontwikkeling vormt. Iedere verandering is automatisch inferieur en dient de kop in te worden gedrukt. Een tweede onderdeel van het trauma bestaat uit de teleurstelling over de eigen resultaten. De realisatie van de idealen van vrede, liefde en zelfontplooiing bijvoorbeeld is nog ver verwijderd, wat jammer is maar heel natuurlijk. Het zijn niet voor niets idealen.

Te snel kwam de jaren '60 generatie er achter dat de veranderingen die ze beoogde slecht utopieën waren. Je verandert niet, je wordt veranderd. De ontgoocheling hierover zorgde voor een feitelijke ommezwaai van 180 graden, terwijl de revolutionaire allure nog steeds wordt gekoesterd. In plaats van nieuw talent te vinden en te ontwikkelen – wat een van hun belangrijkste taken is – reageren ze sceptisch ten aanzien van iedere verandering die niet geïnitieerd is door één van hen. En aangezien ze zelf geen stappen tegen vergrijzing voorstellen of ondernemen roepen ze maatregelen als die van Rick van der Ploeg over zichzelf af.

In hun haast Pavloviaanse reacties op de voorgestelde maatregelen zaaien ze paniek en camoufleren hun eigen angst door bijvoorbeeld voor popularisering te waarschuwen. Alsof een beleid van meer jongeren en allochtonen in de kunst betekent dat Beethoven vervangen wordt door `Miss Saigon'.

De vaak gehoorde kreet `dat hebben we al geprobeerd — het is mislukt' bewijst dat ze de waarde van het experiment uit het oog zijn verloren. Een kreet die overigens van een dusdanige naïviteit en arrogantie getuigt, dat er hier verder geen woorden aan vuil gemaakt zullen worden.

Cultuur is geen statisch begrip. De vervanging van een establishment door nieuw bloed is onontkoombaar. De vraag is alleen op welke manier dit zal gebeuren. Met hulp van de gevestigde orde is een evolutionaire overgang mogelijk. Blijft deze hulp echter uit dan krijgen we een ordinaire revolutie tegen een vergrijsde dictatuur. ``Dat hebben we gehad — en het is mislukt'' hoor ik ze al zeggen.Voor de opkomende generatie is een extra taak weggelegd: de jaren `60 generatie over hun trauma heen helpen, zodat ze de evolutie kunnen stimuleren. Sander Vos zingt hen al toe: ``Wat lopen ze te zeiken wat er van de kinderen is geworden; die hun eerste stappen deden tussen demonstratieborden; die met bloempjes in de haren mochten dansen bij het eten; die sinds het einde van de zomer in de kou hebben gezeten.'' (uit `Minervaplein')

Het aanmodderen van de huidige machthebbers heeft een hoge amusementswaarde. Ik zie liever een hevige strijd tussen een oude sterk verschanste garde en opstormende jongeren dan een zachte institutionalisering van de opkomende generatie. Bovendien is er geen enkele garantie dat de volgende het beter zullen doen.

Voor mij als Hany Abu-Assad hoef je niets te veranderen. Ik zorg zelf dat het veranderd wordt.

Alleen ik ben geen regel.

Met medewerking van Bero Beyer