Geen weg meer terug

De Balkan, heeft Winston Churchill eens gezegd, heeft de kwaadaardige gewoonte meer geschiedenis te produceren dan ze aankan. De Nederlandse mediaconsument kan er inmiddels van meepraten: hij wordt sinds ruim een jaar, en vooral sinds het begin van de NAVO-luchtacties tegen Joegoslavië, overspoeld met golven van informatie over het conflict om Kosovo. En het kwalitatieve gehalte wisselt nogal, afhankelijk van het medium, want het moet snel, het moet kort en het moet vooral niet te ingewikkeld. Met name op de televisie wordt gehusseld met data en gegevens (Servië en Joegoslavië zijn namen die worden gebruikt alsof ze hetzelfde betekenen) en worden plaats- en persoonsnamen afschuwelijk verhaspeld door soms matig of slecht ingevoerde verslaggevers – de goede niet te na gesproken – met als treurig dieptepunt de televisieverslaggeefster die van de Albanese schrijver Ismail Kadare een lesje geschiedenis krijgt dat ze nauwelijks kan volgen en nauwelijks kan geloven – een lesje dat ze had moeten leren vóórdat ze Kadare überhaupt ging opzoeken.

In die schokgolf van dubieuze informatie is Kosovo. De uitgestelde oorlog van Raymond Detrez een verademing. Uitgever Houtekiet afficheert de Vlaamse hoogleraar op het front van het boek als `veruit de beste schrijver in het Nederlands taalgebied over Balkan-aangelegenheden' en daar is geen speld tussen te krijgen.

Het boek is een deskundige, beknopte en overzichtelijke inleiding op het conflict. De overdaad aan geschiedenis is teruggebracht tot een handzaam overzicht van zestig, zeventig pagina's, de mythen die de Balkanbewoners ook na eeuwen nog bezighouden worden weergegeven mèt hun relevantie. En de aanloop tot het huidige conflict – dat wil zeggen: de periode van 1981 tot 1989, toen de Kosovaren hun autonomie kwijtraakten, en die van de jaren negentig, de jaren van het door de Kosovaren zelfgekozen passieve verzet tegen de Servische onderdrukking – worden kundig en accuraat neergezet. Ten aanzien van de jaren negentig toont Detrez aan hoezeer de Serviërs en de Kosovaren er elk hun eigen fictie over Kosovo op na hielden. De Serviërs bleven ervan uitgaan dat Kosovo Servisch was, omdat ze er immers formeel de dienst uitmaakten. De Kosovaren, die zich in hun zelfopgerichte `parallelle' staat hadden teruggetrokken, een ondergrondse staat die geen raakvlak had met het Servische bestuur, bleven er op hun beurt van uit gaan dat ze hun eigen republiek hadden. De twee ficties werden uiteindelijk in 1997 en 1998 door het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK aan flarden geschoten.

Het is Detrez' pech dat zijn boek afsluit ruim voordat de NAVO op 24 maart met schieten begon: het eindigt na het akkoord tussen het bewind in Belgrado en de Amerikaanse onderhandelaar Richard Holbrooke in oktober vorig jaar. De lezer mist dus de mislukte conferentie van Rambouillet en de bombardementen – met alle consequenties voor Kosovo zelf, voor het Servische gezag, en voor de posities van Ibrahim Rugova en het UÇK binnen de Kosovaarse gemeenschap.

Detrez laat twee onderwerpen een beetje liggen. Het thema Groot-Albanië wordt niet genegeerd, maar komt er toch wat bekaaid af. Als minderhedenspecialist had Detrez misschien wat meer kunnen vertellen over de vraag in hoeverre de Albanezen in Albanië, Kosovo, in Macedonië en in Montenegro zo'n Groot-Albanië eigenlijk zien zitten. Hij vertelt wel hoe buurvolken als de Grieken en Macedoniërs zo'n Groot-Albanië zien, maar uitgerekend van hem had ik meer aandacht verwacht voor de opinies onder de vier Albanese gemeenschappen op de Balkan.

Verder besteedt hij geen aandacht aan de vraag of het door de Albanezen nagestreefde onafhankelijke Kosovo economisch überhaupt kan bestaan. Kosovo is tot de desintegratie van het oude Joegoslavië afhankelijk geweest van de subsidies van het `rijke' noorden, vooral Kroatië en Slovenië. De `ondergrondse' staat van Rugova en de zijnen werd na 1991 vooral gefinancierd door de `belasting' die werd opgehaald bij Kosovaarse arbeiders in West-Europa. Veel andere economische activiteit was er het afgelopen decennium in Kosovo niet, afgezien van de activiteit van veel kleine middenstanders en kleine boeren en het bestaan van weinig rendabele mijnen. De vraag naar het economisch bestaansrecht van een onafhankelijk Kosovo is theoretisch zolang we de afloop van de huidige crisis (en het lot van het Rambouillet-plan) niet weten en zal nog lang theoretisch blijven gezien de verdrijving van honderdduizenden Kosovaren. Maar áls de wapens eenmaal rusten is de vraag wel aan de orde.

De onafhankelijkheid van Kosovo staat centraal in Kosovo. Naissance d'une lutte armée UÇK van Patrick Denaud en Valérie Pras – ook een boek overigens dat is voltooid vóór `Rambouillet' en de huidige oorlog. Het bestaat uit een reeks aan elkaar geschreven vraaggesprekken met Bardhyl Mahmuti, politiek vertegenwoordiger van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK in Genève (nu Parijs). De gesprekken worden afgewisseld met citaten uit kranten, tijdschriften en rapporten over het verloop van de Kosovo-crisis in de perioden waarin die vraaggesprekken werden gehouden.

Als uit het boek iets duidelijk wordt, dan is dat dat de UÇK-vleugel binnen de Kosovaarse gemeenschap (die waarschijnlijk het afgelopen jaar doorslaggevend is geworden) geen enkele mogelijkheid ziet nog onder Servisch gezag te leven. `Het is onafhankelijkheid of niets. Het is absurd van de Albanezen te eisen binnen de Joegoslavische federatie te blijven. De Kroaten, Bosniërs, Slovenen en Macedoniërs zijn Slaven, en zij kunnen niet met de Serviërs leven, al staan ze cultureel dicht bij hen en hebben ze samen gevochten om de Joegoslavische staat te stichten – en dan vraagt men de Albanezen dat wel te doen? (...) De internationale gemeenschap heeft de Servische entiteit in Bosnië erkend. Als men een republiek erkent die zich heeft gegrondvest op (oorlogs)misdaden, waarom erkent men de onafhankelijkheid niet van de Albanezen die zulke misdaden nooit hebben begaan?'. Het is een logica waar weinig tegen in te brengen is.

Nog een punt waarover Mahmuti geen misverstand laat bestaan: Ibrahim Rugova heeft afgedaan als leider van de Kosovaren. Hij heeft, zegt Mahmuti, met zijn `pacifistische pseudo-discours' de Kosovaren jarenlang voor de gek gehouden. Rugova reisde jarenlang de wereld rond, werd overal met schouderklopjes weggestuurd en hield de Kosovaren vervolgens voor dat die wereld hem (en hen) steunt. Die Kosovaren dachten aldus al die tijd dat de wereld hun streven naar onafhankelijkheid steunde. En vervolgens heeft Rugova zich ook nog met de Servische leiders op tv vertoond, grapjes makend en minzaam lachend.

Hoe het met Rugova's populariteit onder de Kosovaren gaat weet even niemand, maar duidelijk is dat de radicalen van het UÇK aanzienlijk meer argumenten aan hun kant hebben dan de pacifist die jarenlang niets bereikte. In die zin is het boek van Denaud en Pras de moeite van het lezen waard: het zegt iets over de argumenten en de mentaliteit van diegenen die het waarschijnlijk straks binnen de Kosovaarse gemeenschap voor het zeggen krijgen.

Raymond Detrez: Kosovo. De uitgestelde oorlog. Houtekiet, 205 blz. ƒ32,90

Patrick Denaud en Valérie Pras: Kosovo. Naissance d'une lutte armée UÇK. L'Harmattan, 197 blz. ƒ47,30