Etend, drinkend en voortplantend

Een jaar of zes geleden bezocht ik op een gloeiend hete dag in Camden (USA), vlakbij Philadelphia, het huisje waar Walt Whitman op 26 maart 1892 overleed. Honderd jaar geleden was dit nog een aantrekkelijk pand in een nette middenklasse buurt dat Whitman zich maar net kon permitteren. Nu was het een krakkemikkig, tot museum gebombardeerd huisje, midden in een verpauperd zwart getto, waar ik als witte, keurig geklede heer die dag ongetwijfeld een bizarre bezienswaardigheid moet zijn geweest.

Boven was de slaapkamer met onder het bed de grote teil waarin de stervende, halflamme dichter zich tot vlak voor zijn dood liet wassen en verlichting zocht voor de toenemende benauwdheid die hem uiteindelijk fataal werd. Er bestaat een onthullende maar helaas ook fletse foto waarop Whitman in deze kamer te zien is in een schommelstoel, midden tussen een ongelofelijk ongeordende stapel papier die letterlijk de hele vloer bedekt. De laatste jaren van zijn leven hield hij zich hoofdzakelijk bezig met de ordening, je kunt beter zeggen, met de juiste arrangering van zijn werk, zijn correspondentie en zijn leven. Hij ondernam een poging dit leven met terugwerkende kracht zo goed mogelijk synchroon te laten lopen met zijn werk.

Hij was buitengewoon gevoelig voor het beeld dat anderen later van hem zouden hebben. Veel van zijn grote privé-archief gooide hij weg of hij veranderde het. Wij, de generaties na hem, mochten hem alleen zien als de krachtige, zelfbewuste dichter van zijn levenswerk Leaves of Grass. In de eerste versie van dit werk uit 1855 zet hij zichzelf in het grootse gedicht `Song of Myself' als volgt neer: `Walt Whitman, an American, one of the roughs, a kosmos/ Disorderly fleshy and sensual... eating drinking and breeding,/ No sentimentalist... no stander above men and women or apart/ from them... no more modest than immodest.' En dit beeld heeft hij de rest van zijn leven in stand willen houden.

Er is veel over de laatste jaren van Whitman bekend, omdat zijn bewonderaar en huisvriend Horace Traubel hem vanaf 1886 letterlijk iedere dag bezocht en daarvan een verslag maakte, waaruit hij later een reeks boeken samenstelde. Traubel liet zich werkelijk niets ontgaan: de begroetingen bij binnenkomst en vertrek, (`he shook my hand and kissed me') de prietpraat over het weer, de voor- en nadelen van het eten van rood vlees, geroddel over andere dichters, debatten over opera's, Lincoln, familieleden, recepten, roeiregatta's, de dienstregeling van het veer tussen Camden en Philadelphia, de namen van de schippers en hun familieleden, de bezoeken van fans, de gezondheid van Whitman, de Amerikaanse politiek, de afkeer van Europa, de voorkeur voor Pruisen. Het houdt niet op.

Socialistisch licht

Fraai zijn de gesprekken over poëzie omdat Traubel steeds pogingen onderneemt Whitmans werk in een socialistisch licht te zien, terwijl de oude dichter zelf daar niets van moest weten en Traubel voortdurend bestraffend toespreekt. Heel mooi is ook de bijna obsessieve bezetenheid waarmee Whitman zijn ontdekker, Ralph Waldo Emerson, ter sprake brengt. Over hem raakt hij niet uitgepraat, tot vlak voor zijn dood heeft hij het er nog over: Emerson is onbetrouwbaar, Emerson is een held, Emerson jokt, Emerson is de verpersoonlijking van al het goede, Emerson is een lafaard, Emerson is de Ware Amerikaan, Emerson is een zwakkeling, etc. etc. With Walt Whitman in Camden heet Traubels merkwaardige en vooral oeverloze boek, het bestaat uit negen delen, waarvan de volledige uitgave pas in 1996 is voltooid. Biografen van Whitman maken er uiteraard dankbaar gebruik van.

Ook over de rest van Walt Whitmans leven is veel bekend en gedocumenteerd. Zelf schreef hij een aantal autobiografische geschriften, waaronder het prachtige Specimen Days, en al tijdens zijn leven publiceerde zijn vriend en bewonderaar Bucke de eerste biografie, op verzoek van Whitman zelf eenvoudigweg Walt Whitman getiteld. Na zijn dood verschenen tot nu toe vijftien uitvoerige biografische studies, maar tot op heden lijkt er, vooral in Amerika, geen einde te komen aan de enorme stroom publicaties over diens leven en werk. Nog in 1995 publiceerde David Reynolds een veelgeprezen culturele biografie van Whitman, Walt Whitmans America, waarin hij een geslaagde poging doet Whitmans werk en leven binnen de maatschappelijke, politieke en culturele context van zijn tijd te plaatsen. Je zou zeggen dat er weinig nieuws meer aan dit leven is toe te voegen.

Maar nu is er een nieuwe biografie van Jerome Loving, Walt Whitman, the Song of Himself. Loving meent dat er sinds de ontdekking kort geleden van een groot aantal dagboeken en notitieboekjes van Whitman genoeg reden is de kijk op zijn leven nader te preciseren. Deze nieuwe vondsten laten vooral zien dat Whitman al ver voor de eerste editie van zijn werk druk bezig was met de opzet van zijn revolutionaire en onnavolgbare poëtica. Loving verwerkt in zijn biografie de nieuwe ontdekkingen. Natuurlijk gaat hij ook in op de oude raadsels rond het leven van Whitman. Was hij homoseksueel? Was hij ooit getrouwd? Had hij echt zes kinderen? Was Traubel biseksueel? Had Whitman in New Orleans werkelijk een verhouding met een hoer? Was hij eigenlijk toch racistisch? Kwesties waar vooral Amerikaanse bewonderaars en haters voorlopig nog niet over uitgeschreven zijn, omdat het nu eenmaal niet meevalt Whitman met terugwerkende kracht tot politiek correct mens en dichter uit te roepen.

Loving is een voorzichtige biograaf, al te barre roddelverhalen over Whitman neemt hij niet op, zo ontbreken bijvoorbeeld de wel bij Reynolds lang uitgesponnen geruchten over Whitmans vermeende seksuele wangedrag toen hij nog onderwijzer was. Dit maakt Lovings werk wel wat saai, maar gelukkig draagt hij toch weer bouwstenen aan voor nieuwe roddels. Zo gaat hij langdurig in op het drankmisbruik van Whitman, die er werkelijk behoorlijk op los schijnt te hebben gedronken. Ook bij Traubel zijn daar overigens wel aanwijzingen voor te vinden. Hij leidt uit jeugdwerk van Whitman af dat hij op vroege leeftijd door zijn vader ernstig werd mishandeld en hij maakt er vrij veel werk van aan te tonen dat Whitman lui was. Wat we daaruit dan verder moeten concluderen, blijft onopgehelderd.

Rommel

Maar Loving komt beslist ook met substantiëler nieuws aanzetten. Hij laat bijvoorbeeld uitvoerig zien hoe Whitman zich ongegeneerd voor zijn eigen werk inzette. Bekend was al dat hij zelf over de eerste editie van Leaves of Grass een anonieme lovende kritiek schreef, maar Loving haalt veel meer voorbeelden boven tafel van door hemzelf geschreven, zeer lovende besprekingen van latere edities. Je kunt dit Whitman overigens moeilijk kwalijk nemen, veel schrijvers bespraken destijds in Amerika hun eigen werk. Bovendien werd zijn werk door anderen ternauwernood opgemerkt of alleen maar `rommel' gevonden of `gevaarlijk voor de jeugd' of `dat van een krankzinnige'. Heel mooi is dat Loving een paar parodieën uit die tijd op Whitmans werk tevoorschijn heeft getoverd, zij geven een mooi zicht op het beeld dat men van hem had.

Opvallend is dat Loving een breuk ziet in Whitmans dichterschap. Hij argumenteert dat er een groot verschil bestaat tussen de eerste, adembenemend naïeve en tegelijk grootscheepse gedichten uit 1855 en de gedichten na 1862 toen Whitman als hulpverlener in de veldhospitalen kennis maakte met de verschrikkingen van de Amerikaanse Burgeroorlog. Overtuigend toont hij aan hoe diep geschokt Whitman was over wat hij aan het front en in de hospitalen zag en dat hij in feite van dit trauma nooit helemaal genas. Jammer blijft dat ook deze biografie er niet in slaagt een verhelderend licht te werpen op Whitmans poëzie, daar begint Loving niet eens aan. Hij vertelt welke gedichten in welke edities van Leaves of Grass werden opgenomen, zegt ook wat de de meeste kenners tot de absolute top rekenen, maar hij slaagt er niet in ook maar een poging te ondernemen de verbluffende en meeslepende originaliteit van dit werk in kaart te brengen.

Nog steeds is dit werk controversieel, dat stelt hij wel vast, maar waarom laat hij in het midden. Waarom zou je eigenlijk een biografie over Whitman schrijven wanneer je niet uitvoerig stilstaat bij de grootheid van diens poëzie? Op deze dwingende vraag geeft hij geen antwoord, maar hij hoeft zich niet te schamen, alle biografen over Whitman blijven hierop het antwoord schuldig.

Wel geeft hij een eenvoudige en mooie interpretatie van de titel van Whitmans levenswerk. Leaves of Grass, ik heb het zelf altijd een beetje weëe titel gevonden, niet passend bij dit meesterlijk werk, grassprietjes, blaadjes gras, grasblaadjes, je moet er niet aan denken dat je het zo zou vertalen. Loving stelt dat `grass' niet alleen gras betekent maar ook een begrip is uit de drukkerswereld van Whitmans tijd. En Whitman had als jongen een drukkersopleiding gevolgd en ook in drukkerijen gewerkt. Grass betekende in die wereld zoiets als `drukproeven', `experimenten met drukwerk', datgene dus wat als drukrest wordt verworpen. Bekend is dat Whitman zelf direct betrokken was bij de eerste editie van zijn werk, dat hij de druk zelf verzorgde, omdat hij precies wist wat wel en niet kon, zie bijvoorbeeld de eigenaardige bladspiegel van de eerste uitgave. Whitmans werk was dus niet alleen een poëticaal experiment maar ook een experiment in drukwerk en dat heeft hij in de titel willen laten doorklinken. O, wat zou het prachtig zijn wanneer eindelijk een Nederlandse uitgever die eerste editie van Leaves of Grass in vertaling zou publiceren!

Jerome Loving: Walt Whitman. The song of himself. University of California Press, 568 blz. ƒ83,30