Een natuurverschijnsel dat de wereld overkwam

Het Poesjkin-jaar is begonnen. In Rusland is de schrijver, die volgens de Westerse kalender op 7 juni 1799 werd geboren en in zijn korte leven de Russen hun taal gaf, nog altijd de grootste aller groten.

Een van de weinige dingen waarover alle Russen het nog steeds eens zijn is dat Alexander Poesjkin de grootste dichter en schrijver is: niet alleen van Rusland, maar van de hele wereld. In Rusland is Poesjkin een icoon en een heilige. Dante, Shakespeare, Goethe zijn natuurlijk ook wel aardig, maar wat betreft omvang, veelzijdigheid, invloed en diepgang wint het oeuvre van Ruslands Zoon het toch met glans.

Menen de Russen, want Poesjkins aanzien in zijn vaderland staat in geen verhouding tot dat in de rest van de wereld. Poesjkin vergelijken met Shakespeare, Dante, Goethe lijkt overal elders ter wereld de uiting van een overspannen patriottisme. In ieder geval zijn Dostojevski, Tolstoj en Tsjechov – voor elke Rus een categorie grote schrijvers ónder Poesjkin – buiten Rusland veel bekender. Zijn de Russen verblind in hun liefde voor hun nationale idool of zijn het de niet-Russen die blind zijn? En wat is er zo bijzonder aan Poesjkin? Een aantal recent verschenen vertalingen van en boeken óver Poesjkin biedt op die vragen opmerkelijk antwoorden.

Het eerste wat opvalt aan deze dichter is dat hij zo volstrekt on-Russisch is. Karel van het Reve noemt hem een in Rusland verdwaalde Europeaan. Wie op zoek is naar het typisch Russische – het wijdlopige, mystieke, moraliserende, godzoekende, diepgravende speuren naar de Russische ziel, liefst in lange zinnen vol eigenaardige woorden – is bij hem aan het verkeerde adres. Beknoptheid, helderheid, felheid, vormvastheid en vooral ook ironie en relativering zijn de kenmerken van Poesjkin.

Hij was niet alleen een in Rusland verdwaalde Europeaan, maar ook een in de negentiende eeuw verdwaalde achttiende-eeuwer. Of beter een negentiende-eeuwer met een achttiende-eeuws gevoel voor maat, vorm en distantie. Want hij was allerminst een anachronisme. Zelfs in zijn meest romantische, door Byron geïnspireerde `poëmen', zoals De fontein van Bachtsjisaraj laat dat gevoel voor maat en distantie hem niet in de steek. En zijn proza is wel het minst romantische dat in de eerste helft van de negentiende eeuw is geschreven. De romantische elementen die er in voorkomen, zoals in het verhaal Schoppenvrouw, zijn duidelijk parodie.

Classicistisch is zijn oeuvre, en daarbij ongekend veelzijdig. Poesjkin heeft bijna alle literaire genres van zijn tijd beoefend. In de eerste plaats was hij een lyrisch dichter. Gedichten, in alle mogelijke vormen, met alle mogelijke metra en rijmschema's, vormen het grootste deel van zijn oeuvre. Daarnaast was hij een meester van het `poëem', het lange verhalende gedicht. Hij schreef met Jevgeni Onegin de enige roman in verzen in de Russische literatuur. Hij schreef één avondvullende tragedie, Boris Godoenov, en een aantal korte eenakters. Zijn proza is kwantitatief minder, maar ook hier weer beoefende hij allerlei genres. Het korte verhaal (De verhalen van Belkin), de toen erg in de mode zijnde historische roman (De Kapiteinsdochter), het reisverslag (De reis naar Erzurum), een geschiedkundig werk over de boerenopstand van Poegatsjov en niet in de laatste plaats zijn talrijke brieven die naast die van Toergenjev en Tsjechov tot de mooiste van de Russische literatuur behoren. Alleen een komedie heeft hij niet geschreven, maar een aantal van zijn poëmen – Graaf Noelin, Het huisje in Kolomna – komen dicht bij de klucht in de buurt.

Al die genres beoefende hij met ongeëvenaard technisch meesterschap. Rijmdwang lijkt bij Poesjkin niet te bestaan, zomin als andere problemen bij de versificatie. Het rijm en metrum van zijn poëzie zijn zo geraffineerd en natuurlijk dat ze soms nauwelijks opvallen. Alles loopt even gemakkelijk, niets is gewrocht. Het is een van de problemen bij het vertalen van zijn werk. Welke vertaler kan de versvorm zo soepel hanteren en rijm en metrum zo subtiel toepassen als Poesjkin het deed? Elke misstap leidt onherroepelijk tot gerijmel en brengt onherstelbare schade toe, want vorm en inhoud zijn bij hem één.

Die verscheidenheid aan vormen wist hij te vullen met een niet minder gevarieerde inhoud. Van vroomheid tot regelrechte blasfemie, van kuise liefde tot Emmanuelle-achtige wulpsheid, van vrijdenkerij tot het ongegeneerd stroop om de mond smeren van de monarch, van verhevenheid tot kluchtigheid: je vindt het in Poesjkins werk allemaal, vandaar de vaak diametraal tegengestelde interpretaties ervan. Poesjkin is naar believen revolutionair of reactionair, diep religieus of atheïst, kuis of scabreus, hooggestemd of platvloers. Alle smaken, alle gezindten en alle politieke richtingen komen bij hem royaal aan hun trekken. Reeds als beginnend dichter verdeelde hij zijn werk zorgvuldig over progressieve en conservatieve tijdschriften. Maar wàt hij ook is, hij is het natuurlijk altijd met hetzelfde vormbesef en gevoel voor distantie.

Het fenomeen Poesjkin is het beste te vergelijken met Mozart. Even vroegrijp en vruchtbaar, even veelzijdig en eclectisch, even rebels en kwajongensachtig, even geniaal en even jong gestorven. Een soort natuurverschijnsel dat de wereld overkwam en waarna – althans in Rusland, want literatuur is nu eenmaal een stuk minder universeel dan muziek – niets meer hetzelfde zou zijn.

In ieder geval de Russische taal niet, want Poesjkin is buiten dit alles ook nog een zeer belangrijk taalvernieuwer geweest. Toen hij op het toneel verscheen, had Rusland geen hanteerbare en door iedereen geaccepteerde literaire taal. Stel u een schrijftaal voor als die van Vondel en een spreektaal als een Twents dialect en u hebt een vaag idee van de kloof tussen het literaire en het gesproken Russisch. Voorts heerste er een verwoede taalstrijd tussen conservatieven die een zeer archaïsch Russisch gebruikten, en modernen die een gemoderniseerd Russisch vol Franse invloeden voorstonden. Beiden taalvarianten waren voor het volk overigens even onbegrijpelijk. Het is misschien wat overdreven te zeggen dat Poesjkin geheel alleen uit dit heterogene zootje een literaire taal uit de grond heeft gestampt. Maar een feit is dat na zijn dood de taalstrijd tot het verleden behoorde en Rusland ineens in het bezit was van een algemeen beschaafde omgangstaal die tot op heden voldoet.

Europeaan, classicistisch romanticus (of romantisch classicist), meester van alle genres, verkondiger van alle opinies en taalvernieuwer. En dat allemaal in een leven dat slechts 37 jaar heeft geduurd! Poesjkins biografie laat zich dan ook lezen als een spannende roman, met een uitbundig begin en een tragische afloop.

Poesjkin werd op 26 mei (in Europa was het toen 6 juni) 1799 geboren in Moskou. Hij kwam uit een oud maar verarmd adellijk geslacht, een van zijn voorvaderen van moederskant was een neger die in de tijd van Peter de Grote in Rusland was geïmporteerd en er zelfs carrière had weten te maken. Vandaar waarschijnlijk zijn kroeshaar en enigszins negroïde trekken. Over zijn vroege jeugd is weinig bekend, behalve dat deze nogal liefdeloos is geweest. In 1811 wordt hij toegelaten op de kostschool voor adellijke jongelieden in Tsarskoje Selo bij St. Petersburg waar hij een aantal vriendschappen voor het leven sluit.

Na zijn examen in 1817 krijgt hij een sinecure aan het ministerie voor Buitenlandse Zaken in Petersburg en stort zich in het hoofdstedelijk uitgaansleven. Vanwege zijn gedicht Vrijheid wordt hij in 1820 verbannen naar Zuid-Rusland. Hij brengt jaren door in Moldavië en Odessa en maakt een reis naar de Kaukasus. In 1820 verschijnt zijn eerste lange werk, Roeslan en Ljoedmila, dat hem op slag beroemd maakt. Zijn leven was in die jaren tamelijk rumoerig, hij was een venijnig epigrammenschrijver, raakte op elke mooie vrouw verliefd, was betrokken bij menig duel en schreef ondertussen zijn meesterwerken.

In 1824 wordt hij – wegens flirten met de vrouw van de gouverneur – uit Odessa naar Michajlovskoje gestuurd, het familielandgoed van de Poesjkins bij Pskov. Dat was maar goed ook, want nu bleef hij in december 1825 buiten de Decabristenopstand waar veel van zijn vrienden en kennissen bij betrokken waren. In 1826 mag hij naar St. Petersburg terugkeren. Tsaar Nicolaas I benoemt zichzelf tot Poesjkins privé-censor, wat zijn leven er niet gemakkelijker op maakt.

In 1831 trouwt hij met de jonge Natalja Gontsjarova. Zij was onbemiddeld, maar zo'n schoonheid dat ook de tsaar een oogje op haar had, zodat het echtpaar zeer tegen de zin van Poesjkin voortdurend op hofbals moest verschijnen. In 1834 bestond Nicolaas I het hem, de beroemdste dichter van Rusland, de rang van kamerjonker te geven, bedoeld voor nietsnuttende adellijke zoontjes van achttien en dus ver beneden Poesjkins stand. De dichter wil wel maar kan niet weigeren. Van nu af is hij met handen en voeten gebonden aan het hof. Hij is verplicht om in het dure St. Petersburg een stand op te houden die hij zich eigenlijk niet kan veroorloven, zodat hij voortdurend geldzorgen heeft.

En dan verschijnt Georges d'Anthès op het toneel, de `adoptiefzoon' van de Nederlandse gezant Van Heeckeren (waarschijnlijk de maintenee van de homofiele gezant). Georges d'Anthès, die allerminst afkerig van vrouwen was, wordt smoorverliefd op de lieftallige Natalja Poesjkina. Zijn liefde neemt obsessieve vormen aan. Hij valt Natalja lastig en brengt haar een aantal malen in een zeer lastig parket. Poesjkin ziet het met groeiende ongerustheid aan. Hij is in die jaren toch al uitermate prikkelbaar door zijn groeiende financiële problemen en is ziekelijk jaloers waar het zijn vrouw betreft.

Natalja komt er in de Poesjkin-literatuur over het algemeen niet zo goed vanaf. Zij zou oppervlakkig, dom, flirterig en ontrouw zijn geweest. Die reputatie lijkt mij niet verdiend. Er is niets dat er op wijst dat ze dom was. Uit Poesjkins brieven aan haar blijkt dat hij dol op haar was en het is bekend dat hij een hekel aan domme vrouwen had. Het is waar dat ze meer genoegen beleefde aan de hofbals dan haar man en dat ze een zeker behagen schiep in flirtende heren, maar dat is nauwelijks een serieus verwijt te noemen. Ook met d'Anthès heeft ze zich waarschijnlijk onberispelijk gedragen, maar het is moeilijk laveren tussen een extreem opdringerig aanbidder en een extreem jaloerse echtgenoot.

Hoe het ook zij, eind 1836 daagt Poesjkin d'Anthès uit voor een duel. Dit wordt door toedoen van Van Heeckeren en Poesjkins vaderlijke vriend Zjoekovski gesust. Intussen wordt er een huwelijk gearrangeerd tussen d'Anthès en een van Natalja's zusters. De rust duurt niet lang, want in januari 1837 schrijft Poesjkin een dermate beledigende brief aan Van Heeckeren, dat een duel onvermijdelijk wordt. Omdat Van Heeckeren, als diplomaat, niet zelf kan duelleren, moet zijn adoptiezoon dat voor hem doen. Poesjkin heeft zijn doel bereikt.

De afloop is bekend. Poesjkin krijgt een schotwond in zijn buik en overlijdt twee dagen later. George d'Anthès wordt het land uitgezet, keert naar Frankrijk terug, brengt het daar tot senator en leeft nog lang en gelukkig.

Poesjkins werk ademt een geest van totale vrijheid en onafhankelijkheid. Dat is opmerkelijk voor iemand die leefde in een zo onvrij land als Rusland. Natuurlijk heeft Poesjkin menigmaal lippendienst bewezen aan het regime. Dat kostte hem moeite, maar geen onoverkomelijke want het belangrijkste was toch vrij te zijn in de geest. In het uit 1824 daterende verhalende gedicht De zigeuners verlaat de held van het verhaal de beschaving – een typisch romantisch thema – en voegt zich bij een groep zigeuners om in vrijheid te leven. Hij vat liefde op voor een zigeunermeisje en leeft met haar samen. Tot het zigeunerinnetje een andere minnaar neemt.

De jaloerse held bespiedt het stel in het donker en doodt hen. Hierop maant de vader van de jonge vrouw hem de zigeunergroep te verlaten. Hij wil vrijheid, verwijt de oude man hem, maar kennelijk alleen voor zichzelf. Zodra een ander dezelfde vrijheid neemt is het mis: `Zelfzuchtig is jouw vrijheidsstreven,/ maar zacht, bescheiden ons gemoed./ We gruwen van je trotse wrede/ Gezicht en stem. Verdwijn, voorgoed!/ Laat ons alleen en ga in vrede.'

Wie zelf vrij wil zijn, moet anderen dezelfde vrijheid gunnen. Er zijn meer plaatsen waar deze geest heel sterk is. Poesjkins beroemdste korte gedicht Ik had u lief, dat gericht is tot een geliefde die de `ik' nu verlaten heeft, eindigt met de regels: `Bid God dat u zo teder, zo waarachtig/ nog ooit door iemand anders wordt bemind.' De geliefde krijgt haar vrijheid terug, onvoorwaardelijk, ook al doet dat de `ik' nog zo veel pijn. Maar hij houdt zich groot en spreekt zelfs de hoop uit dat God haar nog eens zo'n liefde als de zijne schenkt. De mens moet genereus zijn, ook in de liefde.

Diezelfde geest van verdraagzaamheid spreekt uit zijn houding tegenover homoseksuelen. Toen de notoir homoseksuele Filipp Wiegel werd benoemd tot gouverneur van Bessarabië en naar Kisjinjov zou vertrekken, waar ook Poesjkin enige tijd had vertoefd, schreef de laatste hem een schitterende brief, gedeeltelijk in versvorm, met de regels: `Zodra ik even adem vind/ Zal ik in Kisjinjov verschijnen/ Als vriend, als speelbal van uw lust./ Ik geef u verzen, geef u proza,/ Speel de markies voor u van Posa -/ Maar, Wiegel, laat mijn kont met rust!'

Welke heteroseksueel in het vrijgevochten Nederland van 1999 zou een homoseksuele kennis zoiets durven schrijven? En wie zou deze regels, zoals Poesjkin doet, laten volgen door een serieuze bespreking van waar in dat provincienest de leukste jongetjes zijn te vinden?

Poesjkin kon echter ook ernstig zijn. In Boris Godoenov bijvoorbeeld, dat de legitimiteit van de macht tot onderwerp heeft. En in De bronzen ruiter, algemeen als zijn beste `poëem' beschouwd, waarin Peter de Grotes visioen om in een noordelijke moerasdelta aan een onberekenbare rivier een nieuwe, schitterende stad te bouwen, wordt gesteld tegenover de praktijk van het leven van de arme Jevgeni, die tijdens een van de vele overstromingen die deze stad teisteren zijn geliefde verliest, gek wordt en ten onder gaat. Wat is nu belangrijker, de grootse daden van een heerser of het kleine leed van een van zijn onderdanen? Poesjkin laat het antwoord op deze vraag, kenmerkend genoeg, open.

Poesjkin lezen is in gesprek zijn met een tijdgenoot, een geestverwant, iemand die vanzelfsprekend vindt wat jij ook vanzelfsprekend vindt, die spot met de dingen waar jij ook de spot mee zou drijven (maar veel geestiger dan jij ooit zou kunnen), die je steeds verrast door op het moment dat je de moraal verwacht alles weer op losse schroeven te zetten en voor wie niets heilig is. Zie zijn Gabriëlslied, een blasfemische en scabreuze parodie op de onbevlekte ontvangenis.

Inderdaad een Europeaan, een democraat in het Rusland van de autocratie. Dat volkomen vrije is waarschijnlijk wat Russen, gedurende de laatste honderdvijftig jaar van onvrijheid zo fascineerde. Poesjkin is in zijn werk zo vrij als alle Russen zouden willen wezen, maar niet konden of durfden. Poesjkin is een wezen van een andere planeet, die zijn landgenoten een spiegel voorhoudt. Dat geldt ook voor de grote Russische schrijvers na hem: Gogol, Dostojevski, Tolstoj. Hoe ver ze ook verwijderd raakten van Poesjkins gedachtengoed, hij was altijd de standaard die ze bewust of onbewust in gedachten hadden. Allemaal neigden ze, als veel Russen, tot wijdlopigheid, extremisme, tendentieusheid. Dat deze neigingen binnen de perken blijven, is voornamelijk te danken Poesjkins matigende invloed.

Wellicht is dat vrije, onrussische ook wat hem voor de westerling minder interessant maakt. Bij een Russische schrijver verwacht je een zoektocht naar de zin van het leven, naar goed en kwaad, naar God. Bij Poesjkin is het leven eerst een sprookje en later een gegeven, heeft de mens het maar te doorstaan, is goed even relatief als kwaad en verschijnt God in de gedaante van een duif om met wiebelend kontje de maagd Maria, die net ligt uit te hijgen van de beurt die ze achtereenvolgens van Satan en de engel Gabriël heeft gehad, te bezwangeren. Kom daar eens om bij Dante, Shakespeare of Goethe.

Met Poesjkins werk in Nederlandse vertaling is het vreemd gesteld. Van sommige werken bestaan wel vier of vijf vertalingen, terwijl anderzijds een groot deel van zijn oeuvre niet is vertaald. Met name om de poëzie hebben de vertalers lang met een grote boog heen gelopen. Langzamerhand komt daar gelukkig verandering in. Dit Poesjkin-jaar heeft de nodige nieuwe publicaties met zich mee gebracht. Van Frans-Joseph van Agt, die eerder al verreweg de beste vertaling van Jevgeni Onegin maakte, verscheen een bundel korte gedichten van Poesjkin en diens belangrijkste tijdgenoten Baratynski en Tjoettsjev. Hans Boland, op het ogenblik Poesjkins belangrijkste propagandist in Nederland, heeft de complete vertaling van Poesjkins verhalende gedichten aangedurfd. Een belangrijke daad, want het zijn meesterwerken waarvan de meeste voor het eerst in het Nederlands verschijnen. De vertalingen mogen er wezen, van uitbundig en frivool tot verheven geeft Boland al Poesjkins stilistische niveaus trefzeker weer.

Ook óver Poesjkin is het een en ander verschenen. De grootste verrassing is alweer van Boland. Russische Zon is een lezenswaardige poging om leven en werk van de dichter aan de hand van een aantal thema's als geboorte, liefde, vriendschap, politiek en dood te behandelen. Bij elk thema dienen een aantal door Boland vertaalde gedichten als leidraad. Een juweel van een boek dat ook nog fraai is uitgegeven.

Voor de echte `die-hards' is er Serena Vitale's Pushkin's Button, een uitputtend verslag van het fatale duel. Het boek is interessant omdat het niet alleen een portret schetst van Poesjkin, maar ook van de andere hoofdrolspelers in dit drama: Natalja Poesjkina, d'Anthès en Van Heeckeren, die er elders nogal bekaaid afkomen – en omdat het citeert uit brieven van de betrokkenen en hun omgeving.

Wie dan nog niet moe is, kan tot slot zijn hart ophalen aan Alexander Poesjkins Geheim dagboek 1836-1837 dat al in 1996 is verschenen, maar toen vrijwel onopgemerkt is gebleven. Het is een fake-dagboek van Poesjkins laatste levensjaar, van de hand van Michail Armalinski: zeer pornografisch, maar erg vermakelijk en met grote kennis van zaken geschreven.

Poetry International staat komende week mede in het teken van Poesjkin. Er is een expositie ingericht en morgenavond zal, na de opening in de schouwburg van Rotterdam, in café-Floor een op Poesjkin geïnspireerd hoorspel worden opgevoerd.

Alexander Poesjkin, Jevgeni Baratynski, Fjodor Tjoettsjev: Gedichten. Uit het Russisch vertaald door Frans-Joseph van Agt. Voorwoord van Jan Paul Hinrichs.

Plantage, 175 blz. ƒ32,–

Alexandr Poesjkin: De novellen in verzen. Verzameld werk, deel I. Vertaald uit het Russisch door Hans Boland.

Papieren Tijger, 350 blz. ƒ59,90

Aleksander Poesjkin: Geheim dagboek 1836-1837. Uit het Russisch vertaald door Mons Weijers.

Element Uitgevers, 136 blz. ƒ29,50

Hans Boland: Russische Zon. Over Poesjkin. Bas Lubberhuizen, 248 blz. ƒ44,50

Serena Vitale: Pushkin's Button.

Fourth Estate, 398 blz. ƒ49,95