De ene varkenskop is de andere niet

Meer dan vijftig jaar na de oorlog komen er nog steeds verhalen over die oorlog los. Sterker nog: zij die altijd zwegen doen nu hun mond pas open. Er moet kennelijk een zekere rijpheid zijn bereikt voordat men het erge onder ogen durft te zien, er moet een afstand zijn die groot genoeg is om niet te bezwijken. Onder de overgeleverde herinnering. Zij die de oorlog meemaakten zijn over het algemeen dood maar hun kinderen en kindskinderen vragen zich af waar die beklemming vandaan komt die hen sinds hun eerste stappen begeleidt.

In het Duitse taalgebied verscheen er kort na elkaar een hele reeks boeken van die ook al niet meer zo jonge tweede en derde generatie, van joodse en niet-joodse schrijvers. Doron Rabinovici traceerde, in Suche nach M., de nakomelingen van overlevenden uit Krakau; Lothar Schöne identificeerde zich, in De joodse begrafenis, met de zoon van een getraumatiseerde dame; Monika Maron richtte in Pawels Briefe een monumentje op voor haar vermoorde opa. En Hans-Ulrich Treichel kwam vorig jaar met Der Verlorene, een roman over een kind in de schaduw van zijn verslagen ouders. Of dat kind samenvalt met de auteur is niet bekend zoals er überhaupt weinig bekend is over Hans-Ulrich Treichel, maar De verlorene maakt een doorleefde indruk. Misschien omdat elke pathetiek ontbreekt. De zinnen zijn kort, laconiek en gebouwd op de logica van een kleine jongen. Een jongen met zijn eigen jongensbelangen. Die botsen met de belangen en de logica van zijn verwekkers.

De jongen wil wat hij al had maar dan beter: hij wil een kamer voor zichzelf, een ouderpaar voor zichzelf, een thuis helemaal voor hemzelf. Zijn ouders willen wat ze al hadden maar wat ze zijn kwijtgeraakt: ze willen een kind erbij, ze zoeken hun oudste zoon. Aan het eind van de oorlog, op de vlucht voor de Russen, gaf de moeder die oudste in paniek aan een vreemde vrouw. Ze dacht dat de Russen haar neer zouden knallen maar dat deden zij niet. Dus heeft zij het kind voor niets aan die vreemde gegeven. Stom, ontaard en onvergeeflijk, vindt de moeder zelf. Om haar fout goed te maken moet ze het kind terug zien te krijgen, en wel onmiddellijk.

De zoekgeraakte oudste drukt zo'n zwaar stempel op het gezin dat de jongste, de verteller, amper nog bestaat. Hij heeft geen naam, die verteller, terwijl de afwezige al op pagina één met zijn naam aanwezig is: om Arnold kan niemand heen. Arnold zit breeduit op de familiekiekjes terwijl er van zijn broertje alleen `een arm, een half gezicht of een oog' te zien is. Arnold is het object van moeders zorgen terwijl de zorgen van het broertje niet worden opgemerkt. Voor Arnold, niet voor het broertje, maken de ouders `s zondags een ritje in hun nieuwe Opel. En voor Arnold, niet voor het broertje, verbouwt de vader het huis. Geen wonder dat het broertje vijandige gevoelens jegens Arnold ontwikkelt. Het dwarsboomt de zoektocht naar Arnold met alle hem ter beschikking staande middelen. Maar veel middelen zijn dat niet. Hooguit kan het broertje dingen verzwijgen.

Bijvoorbeeld wanneer de assistente van een professor in Heidelberg alleen een gipsafdruk van vaders rechtervoet maakt terwijl het kind gezien heeft dat vaders linkervoet heel anders is uitgevallen. `Zou ik de laborante op vaders voeten opmerkzaam maken, dan verdubbelde de kans op familieverwantschap. [-] Dan was het zo goed als zeker dat ik in de toekomst mijn leven met Arnold moest delen. Maar ik wilde mijn leven niet met Arnold delen.'

Hans-Ulrich Treichel, die met De verlorene zijn romandebuut maakt, concentreert zich op het allernoodzakelijkste. Doordat andere personages dan de gezinsleden ontbreken lijken zij des te geïsoleerder en wanhopiger. Trefzeker portretteert Treichel drie mensen wie alles tegenzit behalve de economische wind. Het is de tijd van het Wirtschaftswunder en de uit Polen verdreven vader boert in Duitsland goed. Maar Treichel laat tevens zien dat een carrière kort na de oorlog, ja dat het hele Wirtschaftswunder zijn bestaan te danken had aan een groot ongeluk. Waarom werkt de vader zo hard? Om zijn misère te vergeten. Haast nooit geníet de vleeswarengroothandelaar van zijn welvaart. Haast alles wordt verpest door schuld en schaamte en dat slachtoffers van een oorlog geneigd zijn zichzelf de schuld te geven, ook dat maakt Treichel pijnlijk duidelijk.

De hamerende toon, de drammerige redeneringen en de eigenzinnige neologismen keek hij soms bij de grote retoricus Thomas Bernhard af: `Toen ik vader vroeg waardoor een bijzonder mooie varkenskop zich onderscheidde van een minder mooie varkenskop, zei hij dat een bijzonder mooie varkenskop een gelijkmatig ontwikkelde varkenskop was, terwijl een minder mooie varkenskop nu eenmaal een ongelijkmatig ontwikkelde varkenskop was.' Maar dat sporadische epigonisme bederft noch het origineel noch de Nederlandse vertaling. Treichel voegt aan de zware stijl van Thomas Bernhard lichtheid toe en, het belangrijkste, hij heeft een eigen verhaal.

Hans-Ulrich Treichel: De verlorene. Uit het Duits vertaald door Nelleke van Maaren.

Ambo, 160 blz. ƒ34,90