Angst voor ondernemerschap

Waarom zijn opkopers van kleinere en middelgrote bedrijven op de Amsterdamse effectenbeurs zo actief, terwijl de managers van het `doelwit' stil zitten? Met de ongebreidelde overnamelust van grote Nederlandse ondernemingen in het buitenland (Aegon, Ahold, Fortis, Philips. Getronics) zijn dit jaar alleen al tientallen miljarden guldens gemoeid, maar ook de kleinere broeders vieren hun eigen fusie- en overnamefeestjes.

Vorige week was het kabelfabrikant NKF die wel wil worden ingelijfd door de grotere concurrent Draka. Eergisteren maakte sanitairproducent Sphinx een eind aan zijn lijdensweg van een mislukte fusie en overmatige expansie door in te gaan op een bod van de Finse onderneming Sanitec.

Door fusies en overnames verdwijnen meer bedrijven van de beurs dan er door beursintroducties bijkomen. Uitzendorganisatie Content gaat naar de Belgische concurrent

Creyf's, de Nationale Investeringsbank naar pensioenfondsen PGGM en ABP, handelshuis Otra naar Franse grootaandeelhouder Sonepar. Welna fuseert met een Amerikaanse sectorgenoot. Van Leer praat met de Finse Huhtamäki. Verder wil Cindu de beursnotering opheffen nadat het bedrijf is opgesplitst.

Modehuis Gucci is de inzet geworden van een overnamestrijd tussen twee grote Franse groepen. En bij Dico (bedden) en Klene (snoep) hebben investeerders van buiten de onderneming de macht in handen genomen. Bij zeker drie andere hebben investeerders avances gemaakt, maar zijn directie en commissarissen niet akkoord gegaan: Reesink, Ten Cate en Grolsch.

Rode draad bij de meeste, maar niet bij alle overnames zijn de ondermaatse financiële prestaties van de betrokken onderneming. Dat is op zich geen nieuw fenomeen. Bij de vorige grote fusieronde in het bedrijfsleven waren het ook al de achterblijvers die in de schoot werden geworpen van grotere concurrenten, zoals detailhandelsbedrijf KBB bij Vendex.

Een vergelijkbaar proces speelt zich nu af op kleinere schaal, zie het lot van Content, Van Leer, NKF en Sphinx. Maar de simpele beschikbaarheid van een prooi riekt wat veel naar animal spirits en lijkt geen strategische, maar een opportunistische zet. Opkopers rationaliseren het fusieproces liever met verwijzingen naar de samenklonteringen elders, met efficiencyvoordelen en met schaalvergroting bij klanten of toeleveranciers. Wie dan nog sceptisch kijkt riskeert de stok achter de deur:,,willen wij op deze (vul in: nationale, Europese of mondiale) schaal blijven meespelen, dan is een fusie onvermijdelijk''. Wie zou een manager dat misgunnen?

Verbazingwekkender nog dan de fusies en overnames onder de middenmoters is het feit dat managers niet zelf opstaan en het heft in handen nemen door het bedrijf kopen. De omstandigheden lijken idealer dan ooit voor zulke verzelfstandigingen (management buy outs). De koersen van de aandelen van kleinere bedrijven zijn over de hele linie genomen relatief laag.

Hoe komen managers aan het benodigde geld? De meesten zijn niet vermogend. Maar het geld kunnen zij lenen van banken of andere financiers. De rente staat nog steeds dichtbij recordlaagte. De algemene economische perspectieven zijn misschien niet uitbundig, maar zeker niet somber. Wie een bedrijf van de beurs heeft gehaald heeft daarna bovendien nooit meer last van de ingewikkelde regels tegen effectenhandel met voorkennis.

Grote concerns en conglomeraten die dochterbedrijven willen afstoten maken, samen met de betrokken managers, gretig gebruik van management buy outs om zich terug te trekken op kernactiviteiten. Maar waarom gebeurt het niet met beursgenoteerde bedrijven?

Zijn de managers bang voor het echte ondernemerschap en incasseren zij liever hun personeelsopties dan dat zij hun eigen vermogen als ondernemer op het spel zetten? Of kiezen ondernemende managers al bij voorbaat niet voor carrières bij de categorie beursgenoteerde bedrijven die nu worden overgenomen. Ex-chef W. de Vlugt van Van Leer ,,dreigde'' vorig jaar een keer dat hij het bedrijf van de effectenbeurs zou halen omdat de aandelenkoers volgens hem schrikbarend laag was. Uiteindelijk ging hij toch liever met de Finnen in zee en hij maakte zijn opties te gelde (9 miljoen gulden).

Barrière nummer twee zijn de machtige commissarissen, die dit soort zaken in hun tijd in het bedrijfsleven niet deden. Aan buy outs en hun aggressieve financiers hangt voor hen de geur van snel geld verdienen, bedrijven vierendelen en de brokstukken verkopen. Dat strookt niet met een evenwichtige behartiging van de belangen van alle bij een onderneming betrokkenen, inclusief de werknemers.

Angst voor ondernemerschap en de weerzin onder commissarissen frusteert wel de werking van de kapitaalmarkt. Talloze Nederlandse beursgenoteerde bedrijven in rijpe bedrijfstakken hebben geen behoefte aan vers kapitaal. Wat hebben zij nog op de beurs te zoeken? Overnames en buy outs keren kapitaal uit aan beleggers, die dat geld vervolgens kunnen investeren in (nieuwe) bedrijven met ondernemers die rap willen groeien en kapitaal nodig hebben.