Van fopspeen tot kroonjuweel

Het lijkt wel een sprookje. Midden in de nacht, toen het hele land sliep, werd een van de kroonjuwelen van Prins Krullebol-Pruillip gestolen door een boze oude man met een klapsigaar en toen zijn De 66 Kabouters uit een paars kabinet gevallen en toen stuurde de koningin een mijnheer uit Den Haag met een fopspeen en toen zei de prins dat die fopspeen nog mooier was dan dat kroonjuweel en toen kregen De 66 Kabouters allemaal een taartje en toen was alles weer goed. Het lijkt ook op Kuifje en De juwelen van Bianca Castafiore, al was het maar omdat Thom de Graaf er uitziet alsof ook hij veelvuldig het lievelingslied van deze beroemde diva aanheft: ,,HAAA! Ik lach bij 't zien van m'n schoonheid in dees spiegel.'' Het lijkt echter nog het meest op een klucht, waarin alle hoofdpersonen zich belachelijk maken en niemand serieus kan worden genomen. Want wat is er gekker: Wiegel die het over principes heeft of een Democraat, met een hoofdletter, die vindt dat alle Eerste-Kamerleden van een andere partij moeten doen wat hij zegt?

D66 heeft – of had? – vier kroonjuwelen: de gekozen minister-president, de gekozen burgemeester, het districtenstelsel en het referendum. De gekozen minister-president lijkt mij daarvan de meest overbodige, want die hebben wij al. Sinds jaar en dag wordt er immers gesproken over de `premierbonus' en worden verkiezingsleuzen gelanceerd als `Kies de minister-president', `Kies Kok' en `Laat Lubbers zijn karwei afmaken'. Dat komt allemaal op hetzelfde neer. Stem op Den Uyl, Kok of Lubbers, want dan wordt hun partij de grootste partij en hun lijsttrekker premier. En zo gaat het ook. Alleen Den Uyl presteerde het om na een klinkende verkiezingsoverwinning een kabinet onder leiding van zijn twee aartsvijanden, Van Agt en Wiegel, tot stand te laten komen. Maar dat was een uitzondering. De regel dat de leider van de grootste partij premier wordt, is thans zo algemeen aanvaard, dat bij de laatste verkiezingen bijna een schandaal ontstond, toen Bolkestein desgevraagd niet terstond wilde verklaren dat hij premier zou worden als de VVD groter werd dan de PvdA.

De gekozen burgemeester is een andere zaak. Veel landen kennen deze figuur. Frankrijk bijvoorbeeld. Dat land kent vele duizenden, meestal zeer kleine gemeenten. In zulke plaatsen wordt de caféhouder doorgaans tot burgemeester gekozen. Die kent immers iedereen en moet bovendien het hele dorp te vriend houden. In grote steden als Parijs, Marseille, Bordeaux daarentegen is het stadhuis een centrum van politieke macht. De burgemeester is daar de leider van een grote politieke partij die het burgemeesterschap erbij doet: Chirac in Parijs, Defferre in Marseille, Chaban-Delmas in Bordeaux. De gemeentekas kan zonodig worden gebruikt om de partijkas te spekken en partijfunctionarissen worden soms op de gemeentelijke loonlijst geplaatst. In Amerika, waar iedereen wordt gekozen, van de president tot de brandweercommandant, is het nog erger. De gemeentepolitiek wordt er vaak beheerst door corrupte lokale bosses, die desgewenst de verkiezingsuitslagen vervalsen. Burgemeester Daley van Chicago was een berucht voorbeeld van dit type burgemeester.

Ook in Nederland is de gemeentepolitiek een weinig verheffend bedrijf. De gemeenteverkiezingen worden beheerst door partijen als `Lijst Jansen', `Kasteleinsbelangen' en `Leefbaar Utrecht' en gaan voornamelijk over de openingstijden van cafés en afwerkplaatsen. De gemeentebesturen willen meestal slechts twee dingen: 1) op studiereis naar het buitenland en 2) een nieuw en groter stadhuis. Gelukkig kennen wij nog altijd benoemde burgemeesters, die weliswaar weinig te zeggen hebben, maar in ieder geval toch vaak iets van fatsoen en gezag uitstralen. Is er echt iemand die gelooft dat Amsterdam en Rotterdam beter af zouden zijn zonder Patijn of Opstelten? Met wie dan wel? Etty? Nagel? Hadjememaar?

Het districtenstelsel, om het derde juweel onder de loep te nemen, is al bijna zo oud als de strijd ertegen. In Engeland bestaat het nog steeds, met alle gevolgen van dien. Door dit stelsel krijgen de Engelse geestverwanten van D66, de Liberals, sinds mensenheugenis nooit de zetels in het Lagerhuis waar zij recht op hebben. In 1992 verwierven zij met ruim achttien procent van de stemmen slechts drie procent van de zetels (17 van de 641). In 1997 haalden zij ruim een procent minder aan stemmen, maar kregen zij bijna drie keer zoveel zetels (46). Some jewel! Some crown!

Inderdaad krijg je met zo'n stelsel heldere verkiezingsuitslagen en duidelijke meerderheden. Het gaat in de praktijk immers slechts om twee partijen en de partij die wint, heeft alle macht. Maar is dat een voordeel? Labour heeft na de oorlog zo ongeveer alles genationaliseerd wat denkbaar was en het land vervolgens uitgeleverd aan de vakbonden. De conservatieven hebben daarna onder leiding van Margaret Thatcher alles geprivatiseerd wat denkbaar en ondenkbaar was en het land vervolgens uitgeleverd aan de aandeelhouders. Tel uit je winst!

Natuurlijk zijn er tussenvormen denkbaar. De Fransen zijn daar meesters in. Zij wisselen al meer dan een eeuw geregeld van kiessysteem. Dat heeft allemaal maar één doel: de regerende partij ook bij de volgende verkiezingen aan een meerderheid te helpen. De Gaulle introduceerde in 1958 het districtenstelsel. Bij de daaropvolgende verkiezingen behaalden de gaullisten ongeveer evenveel stemmen als de communisten, maar twintig keer zoveel zetels. In dit geval niet iets om over te treuren, maar toch ook niet direct een voorbeeld van echte democratie.

En dan is er het referendum. De bezwaren hiertegen zijn zo algemeen bekend dat ze nauwelijks behoeven te worden opgesomd. Die bezwaren gelden niet of nauwelijks voor het onlangs gesneuvelde plan voor een correctief referendum, maar dat was dan ook zo tandeloos en lusteloos dat het meest gebruikte argument om vóór te stemmen was, dat het toch geen enkele betekenis had. Er is een land waar het referendum wel een grote rol speelt in de politiek – of liever gezegd speelde, want het wordt tegenwoordig niet meer zo vaak gebruikt – en dat is Frankrijk. De grondwet die De Gaulle in 1958 invoerde, kende aan het referendum een belangrijke plaats toe. Vrijwel alle Nederlandse politici zagen hierin een groot gevaar voor de democratie en het begin van een plebiscitair regime à la Napoleon III.

Die angst was misplaatst, maar de twijfel over de plaats van het referendum in een representatieve democratie was begrijpelijk en juist. Van de andere kant is dat alles nu al meer dan veertig jaar geleden. Meer dan de helft van de zaken waar de Nederlandse politiek in 1958 nog over ging, wordt nu beslist in Brussel en Frankfurt. Vrijwel alle landen van de Europese Unie hebben iets referendumachtigs en zelfs een oude AR-democraat als Barend Biesheuvel is ervóór. Waarom zouden wij het dan ook niet eens proberen? Van dat referendum (correctief, consultatief of recreatief) hoeft echt niemand wakker te liggen. Eén slapeloze Nacht van Wiegel is meer dan genoeg.