Trou moet blijcken

Iemand snijdt met een stanleymes een gedicht aan flarden. Een ander schrijft het gedicht opnieuw op en het is er weer, in dezelfde staat als daarvoor. Ergo, een gedicht is geen schilderij. Een gedicht zit in je hoofd, het is overal reproduceerbaar en iedereen heeft er evenveel recht op.

Ook een schilderij kan in je hoofd zitten. Eigenaardig, daar geeft blijkbaar niemand om.

Wat is een gedicht dan wel? Proza, door een schaar in stukken geknipt? `Grunbergs poëzie heeft weinig vorm, het is eigenlijk proza in korte regels geknipt,' schrijft Maarten Doorman, de poëzie-criticus van NRC Handelsblad, over de nieuwste dichtbundel van Arnon Grunberg. En Piet Gerbrandy, de poëzie-criticus van De Volkskrant: `Wat deze publicatie nog merkwaardiger maakt, is dat Grunberg haar als poëzie presenteert. (...) ook zijn alle – overigens keurig grammaticale – zinnen in stukken geknipt, van hoofdletters en interpunctie ontdaan, en met veel witregels afgedrukt.' Het zou dus een definitie kunnen zijn. In een bepaald geval.

Wat is poëzie? Dichters hebben het er vaak over. Over wat poëzie is, zou moeten zijn, zou kunnen zijn, af en toe kan zijn. Zulke gedichten waarin dichters zeuren over de poëzie zelf noemen we met een rotwoord poëticale gedichten.

Er verscheen nota bene een hele bloemlezing uit dat soort poëzie: Dichten over Dichten, samengesteld door Atte Jongstra en Arjan Peters. Ik heb een tijd gedacht dat `poëzie als onderwerp van poëzie' typisch iets naoorlogs was, en dat het wellicht verband hield met de defensieve positie waarin de poëzie was gedrongen. Dat het zelfs iets met een kunstvorm in de eindfase te maken kon hebben. Uit deze bundel bleek dat dichters het al eeuwenlang met grote voortvarendheid over het mirakel van hun eigen talent hebben. Een nuttig boek.

Er waren naast de drie dikke delen Komrij niet veel bloemlezingen zinvol meer, zo was het algemeen gevoelen, maar naar mijn bescheiden mening deze toch zeker wel. 't Spijt me hieraan te moeten toevoegen dat Dichten over Dichten al snel voor een paar gulden in de opruiming lag. De titel zal nogal hebben afgeschrokken. Enkel Twee eeuwen poëticale poëzie zou een nog verwoestender uitwerking hebben gehad.

'n Ander moet maar uitleggen waarom de term poëticale poëzie werkt als een rooie lap op een stier. Het gevaar is natuurlijk dat het een soort navelstaren wordt waarmee alleen een paar andere navelstaarders overweg kunnen, of een soort rondzingend geneuzel voor en door vakbroeders. Maar wat is er op tegen dat iemand enthousiast praat over zijn vak? Als poëzie iets bijzonders is lijkt het me normaal dat je wilt uitleggen wat er bijzonder aan is. Vaak komt het neer op een verdediging van de poëzie, een pleidooi op z'n minst nobel.

In de bloemlezing Dichten over Dichten treffen we bijgaand gedicht van Ed Leeflang aan. Leeflang heeft het over hoe poëzie je leven van jongs af aan kan beïnvloeden. Voor poëzie-gevoelige kinderen is de poëzie er vaak eerder dan het leven. Je leert kijken door de ogen van de poëzie. Alle ezels die je in de werkelijkheid zult ontmoeten blijven Vasalisachtig. De poëzie vormt voor de puber een voorschot op wat hij ongetwijfeld allemaal nog zal lijden en beleven – de instant-romantiek van de gefantaseerde kleerscheuren, of zoals Leeflang het verderop in deze cyclus zegt, als schooljongen sprekend over de dichter Slauerhoff –

Nu hij toch gestorven was –

zijn doodsfoto zei het ontluisterend ongebruikelijk –

kon ik misschien in die gedichten wonen, ze

stonden toch leeg en ik ging voldoende gebukt,

dacht ik, zodat het zijn moeite tenminste

zou lonen

– de dichter als leverancier – dankuwel – van het broodnodige theatrale leed.

Over je eigen ziel had je meer goeds gelezen

dan kon worden doorgrond of afgewezen

– het leek even of Leeflang zeggen wilde: over je eigen ziel had je meer gelezen dan goed voor je was. Dat is ook wat hij bedoelt. Poëzie kan op een zeker moment iets worden waarvan je je moet bevrijden. Dan heeft poëzie met belezenheid te maken – en niet met leven. Het grootste wonder is te leven en niet ontrouw te worden aan de poëzie.

Het op een na grootste wonder is toch wel om op de manier als in dit gedicht wordt geschetst op te groeien met poëzie. 't Is een alweer wat oudere poëzie-horizon die hier opduikt – Nijhoff, Bloem, Marsman – maar hoe dan ook: de jongen speelt hier dichterstemperamenten tegen elkaar uit, hij identificeert hartstochtelijk, de poëzie dient voor hem als pasvorm van onuitgesproken en nog onbekende sensaties. Wie dat heeft meegemaakt, wie dat nu meemaakt – voor hem of haar zal het leven uiteindelijk samenvallen met de poëzie.

In een moment van paniek, desnoods.