Gerechtshof ontwijkt lastig juridisch debat

Het Internationaal Gerechtshof stuurde Joegoslavië gisteren met lege handen naar huis. Maar het juridische debat over de NAVO-bombardementen is daarmee niet voorbij.

Dat het Internationale Gerechtshof in Den Haag de NAVO gisteren `vrijsprak' van genocide was te verwachten. Het Hof oordeelde dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat de tien door Belgrado gedaagde NAVO-landen de moedwillige vernietiging van Joegoslavië nastreven. Maar wat betreft de andere klacht, dat de NAVO zonder toestemming van de VN-veiligheidsraad geweld gebruikt tegen een soevereine staat, werd Joegoslavië gisteren door het Hof met een kluitje in het riet gestuurd. Nog goed en wel voordat de vraag aan de orde kon komen of de bombardementen al dan niet gerechtvaardigd zijn, verklaarde het Hof zich niet bevoegd.

,,Een te verwachten manoeuvre'', zegt jurist David Raic, docent Volkerenrecht aan de Universiteit van Leiden. Veel juristen vinden dat het Hof zich uit een penibele situatie heeft gered door zich onbevoegd te verklaren. Als het dat wel had gedaan, had het Hof moeten oordelen over de (juridische) juistheid van de NAVO-bombardementen. En op dat punt zou het Joegoslavië wel eens gelijk hebben moeten geven.

Joegoslavië beschuldigt de NAVO ervan het VN-handvest te schenden. Onderdeel van het handvest is het verbod op het gebruik van geweld tussen soevereine staten. Bovendien heeft de NAVO nooit toestemming van de VN-Veiligheidsraad gekregen voor de acties tegen Joegoslavië.

De NAVO wilde hier in Den Haag liever niet op ingaan en verdedigde zich door te stellen dat Joegoslavië geen beroep kan doen op het Hof, omdat het sinds 1991, toen het `oude' Joegoslavië overging in het `nieuwe', geen VN-lid meer is. Geen sterk argument, meent David Raic. Volgens Raic blijkt uit de vele resoluties waarin Joegoslavië is veroordeeld, dat de VN er zelf wél van uitgaan dat het land lid is.

Het Hof is die mening blijkbaar ook toegedaan. Gisteren werd duidelijk dat het best bereid was geweest de klacht van Joegoslavië in behandeling te nemen, ware het niet dat de autoriteiten in Belgrado hun klacht `verkeerd' hebben ingediend, waardoor het Hof zich niet bevoegd acht om erover te oordelen. Eén `knullig' geformuleerd zinnetje in de aanklacht deed Joegoslavië de das om: ,,Joegoslavië erkent de jurisdictie van het Hof in alle geschillen die rijzen of zullen rijzen na ondertekening van deze declaratie.'' Akkoord, verklaarden de rechters met meerderheid. Aangezien ,,deze declaratie'' pas op 25 april is ondertekend, kunnen we geen oordeel vellen over het huidige geschil met de NAVO. Dat geschil begon immers vóór die datum, op 24 maart, toen de eerste bommen vielen. Exit Joegoslavië.

Enkele juristen zetten gisteren in Den Haag vraagtekens bij deze lezing van het Hof. Want is niet elk bombardement afzonderlijk, ook ná 25 april, een schending van het geweldsverbod van de VN?

De muggenzifterij over clausules (en het tijdstip waarop ze zijn ondertekend) neemt niet weg dat er nog altijd één belangrijke vraag openstaat: bestaat er in het internationale recht een juridische basis voor de bombardementen op Joegoslavië? ,,Alle argumenten van Joegoslavië liggen nog steeds op tafel'', zegt Raic.

Het antwoord op deze cruciale vraag is niet alleen van belang voor Joegoslavië, maar voor de hele internationale gemeenschap, menen juristen. Als de NAVO oogluikend wordt toegestaan een soeverein land te bombarderen, verliest het geweldsverbod in het VN-handvest aan betekenis. Een gevaarlijk precedent, want het kan een uitnodiging worden om buiten de VN om in te grijpen in andermans aangelegenheden, en met minder `nobele' motieven dan de NAVO. Het zou de internationale rechtsorde ernstig kunnen aantasten. Het Hof erkende dat gisteren impliciet door te stellen dat de NAVO-acties ,,serieuze vragen'' opwerpen voor het internationale recht.

De vraag is hoe men uit deze door de NAVO veroorzaakte juridische impasse kan komen. Raic ziet een mogelijkheid. Ten eerste zou het Hof het juridische beginsel van `nood breekt wet' moeten erkennen als recht. Dit beginsel stelt dat de schender van een bepaald recht niet verwijtbaar handelt, omdat er sprake was van een ondraaglijke noodsituatie. Maar, zo vindt Raic, dat zou de Veiligheidsraad wel eerst moeten vaststellen.

In het geval van Kosovo is dat ook gebeurd. Vorig jaar oktober nam de Veiligheidsraad resolutie 1.199 aan, waarin wordt gesproken van een ,,humanitaire noodsituatie'' en de plicht om te voorkomen dat deze verder escaleert, maar de raad gaf geen toestemming om geweld te gebruiken. Raic kan zich voorstellen dat in dergelijke situaties `nood breekt wet' van toepassing is. Deze procedure zou kunnen worden geïnstitutionaliseerd in het internationale recht. Maar, zegt Raic, mocht dit gebeuren, dan is het maar de vraag of de Veiligheidsraad ooit nog een resolutie aanneemt waarin wordt gesproken van een ,,humanitaire noodsituatie'', uit angst dat sommige VN-leden losse handjes krijgen en op oorlogspad gaan.