Fixatie op cijfers werkt misleidend

Geen wonder dat de opkomst bij Europese verkiezingen zo laag is. De machtsvraag is niet aan de orde. Verkiezings- programma's zijn niet te onderscheiden. Nationale politici vinden het zo wel best.

NEDERLANDSE Europarlementariërs verwelkomden de val van het paarse kabinet als bijdrage aan de Europese democratie. Op 19 mei, de dag na de nacht van Wiegel, zeiden enkele van hen dat de kabinetscrisis de opkomst van de Europese verkiezingen positief kon beïnvloeden. De kiezer zou immers een oordeel willen geven over de paarse struikelpartij, zo veronderstelden ze.

Scheidend Europarlementariër Piet Dankert (PvdA) zei te verwachten dat de Eurocampagne een ,,politieker karakter'' zou krijgen. ,,Dat zal een push geven aan de opkomst.'' Zijn collega's van D66 en CDA, Jan-Willem Bertens en Hanja Maij-Weggen, veronderstelden hetzelfde.

De Europese volksvertegenwoordigers demonstreerden met hun opmerkingen een zekere vergeetachtigheid, en nog een paar dingen meer. Immers, in 1989 viel het tweede kabinet-Lubbers een maand voor de Europese verkiezingen van dat jaar. Niettemin zakte de opkomst van deze verkiezingen tot onder de 50 procent, daarmee overigens een dalende tendens reflecterend die ook bij andere verkiezingen zichtbaar is.

De reactie van de Europarlementariërs spiegelde ook hun fixatie op de opkomst bij de komende verkiezingen in juni. Het aantal deelnemende kiezers lijkt het eerste en enige criterium te zijn, waaraan de politieke betekenis van die verkiezingen wordt afgemeten. Dat de Euroverkiezingen van 1989 in Groot-Brittannië (ondanks een opkomst van 36 procent) de val van Margareth Thatcher inluidden, en in Spanje tot nationale verkiezingen leidden; dat door de uitslag van de Europese verkiezingen van 1994 het Griekse kabinet zich tot een herschikking genoodzaakt zag; dat de verkiezingen van 1999 nu al hun schaduw vooruitwerpen doordat de meeste Europese hoofsteden wachten met het aanwijzen van een Eurocommissaris tot na 10 juni – het verbleekt allemaal bij die ene, steeds terugkerende vraag: wordt het nachtmerriescenario van een opkomst rond de 30 procent werkelijkheid?

De fixatie op de opkomstcijfers is uit Nederlands oogpunt begrijpelijk, maar vanuit Europa bezien misleidend. Zeker, de opkomst bij de Europese verkiezingen in de EU-lidstaten is – gemiddeld genomen – gedaald (van 67 procent in 1979 naar 58 procent in 1994). En dat geldt nog in sterkere mate voor Nederland, dat met 35 procent in 1994 (was 58 procent in 1979) het laagst scoorde in de Europese Unie, op Portugal na. Ten minste zo opvallend zijn echter de grote onderlinge opkomstverschillen tussen de Europese landen. Zo is de opkomst in landen als België, Italië en Luxemburg met percentages tussen de 90 en 70 procent hoog. De opkomst bij de verkiezingen van 1994 in Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk, Spanje, Denemarken, en Luxemburg vertoonde enig herstel ten opzichte van voorafgaande Europese verkiezingen. Het lage, en almaar lagere opkomstniveau in Nederland is daarom niet representatief voor alle andere EU-lidstaten.

Hoe moeten de onderlinge opkomstverschillen worden verklaard? In de wetenschappelijke literatuur komen drie fenomenen naar voren. Zo wijzen de politicologen Franklin, Van der Eijk en Oppenhuis in hun bundel Chosing Europe (1996) op de opkomstplicht in België, Luxemburg, Italië en Griekenland, die tot een hoog opkomstniveau leidt. Daarnaast maakt de gekozen dag van de verkiezingen verschil. Nederlanders kiezen op donderdag, de meeste anderen op zondag. Werk lijkt een grotere stoorzender voor de opkomst dan recreatie. Ook speelt het kiessysteem een rol. In landen met een districtenstelsel wordt de motivatie van de kiezer negatief beïnvloed doordat de kandidaten van kleinere partijen, zoals de Britse Liberal Democrats, de kiesdrempel veelal niet halen.

De mate waarin Europa in de diverse lidstaten `leeft', wordt zelden genoemd als verklaring voor de verschillen in opkomstpercentages. Een blik op het Verenigd Koninkrijk maakt duidelijk waarom. Het mag dan een van de weinige EU-lidstaten zijn waar Europese politiek een twistpunt is, de opkomst is toch nooit hoger gekomen dan 36,4 procent, het percentage bij de vorige Europese verkiezingen van 1994. Bovendien blijken gewichtige Europese gebeurtenissen, zelfs van wereldhistorische allure, nauwelijks of geen invloed te hebben op het stemgedrag in de EU. Zo heeft de beslissing begin jaren negentig voor heel Europa één gemeenschappelijke munt in te voeren, de dalende tendens in de opkomst niet gekeerd. Niettemin blijven voorlichtingsbureaus almaar proberen burgers tot stemmen te motiveren met de mededeling dat Europa steeds belangrijker wordt voor hun dagelijks leven.

Kiezers komen pas massaal naar de stembus als de machtsvraag aan de orde is, zo luidt een algemeen aanvaarde politicologische wijsheid. En die machtsvraag is niet aan de orde bij de Europese verkiezingen. Niet de parlementariërs maken de dienst uit in Europa, ondanks hun toegenomen bevoegdheden, maar de regeringsleiders van de vijftien lidstaten. Bovendien is de vraag wat verlies van de ene partij en winst voor de andere uitmaakt voor het stemgedrag van het parlement in Brussel en Straatsburg. Kenmerk van de diverse verkiezingsprogramma's is immers dat ze sterk op elkaar lijken. Bijna iedereen is voor werkgelegenheid, tegen fraude en voor een schoner milieu.

Mede daarom krijgen de Europarlementariërs zelf vaak de schuld van de lage opkomst. Ze schrikken terug voor politieke strijd, kunnen niet debatteren en sjoemelen bovendien, zo luidt kort samengevat het beeld dat uit krantencommentaren oprijst. Bovendien zijn ze dommer dan Tweede-Kamerleden, zullen trouwe kijkers van het televisiespelletje TROS Triviant eraan toevoegen. Nederlandse Europarlementariërs verloren dit spelletje enkele keren van Kamerleden tijdens uitzendingen die door het Nederlands voorlichtingsbureau van het Europees Parlement waren gesponsord.

Toch is de vraag of de last van de lage opkomst op de schouders van de Europarlementariërs kan worden gelegd. De politicologen Franklin en Van der Eijk wijzen erop dat het helemaal niet in het belang is van nationale politici om mee te werken aan een volwassen politieke campagne over Europa. Veel partijen zijn namelijk meer of minder verdeeld over de mate van Europese eenwording. Toen Margareth Thatcher het in 1989 er toch op waagde, en Europa tot hoofdonderwerp verklaarde, werd ze geconfronteerd met heftige interne partijtwisten.

Maar belangrijker is nog dat medewerking van nationale politici aan een levendige Europese verkiezingsstrijd precies dat beeld bevestigt dat zij door de gestaag vorderende Europese eenwording vrezen: hun eigen groeiende overbodigheid.

OPKOMST