Elke daggehaktdag

De overheid maakt mooie plannen bij de vleet. De klassen moeten kleiner, automobilisten zullen tol betalen. Zulke fraaie voornemens stranden vaak op de weerbarstige praktijk. Er zijn onvoldoende bevoegde leerkrachten, rekeningrijden stuit op massaal verzet. Missers krijgen in de media nog wel aandacht. Tot nu toe hield het parlement zich in meerderheid vaak gedeisd. Vanaf volgend jaar komt daarin misschien verandering. Voortaan zal de Tweede Kamer bewindslieden op de derde woensdag in mei ter verantwoording roepen door de resultaten van het gevoerde beleid te toetsen aan de hand van eerder vastgestelde kwantificeerbare doelen. Zo willen Kamerleden over een jaar de verantwoordelijke minister aan de tand voelen over het aantal leerlingen dat de school voortijdig heeft verlaten en over de vermindering van de kooldioxide-uitstoot per sector.

Meer aandacht voor de doeltreffendheid van het overheidshandelen is winst. Wel valt te hopen dat de Kamerleden zich tot hoofdzaken weten te beperken. Het debat mag niet verzanden in partijpolitiek gekissebis over betrekkelijk kleine afwijkingen van eerder opgestelde ramingen. De suggestie van een nauwkeurige afrekening kan namelijk onmogelijk worden waargemaakt. De rijksoverheid is domweg niet in staat haar inkomende en uitgaande geldstromen zeer nauwkeurig te ramen. De jaarraming van belastingontvangsten en totale overheidsuitgaven zit er regelmatig vijf tot tien miljard gulden naast.

Er is echter nog een ander probleem dan de onvermijdelijke onnauwkeurigheid van begrotingsramingen. Bij de afronding van de begrotingsbehandeling verklaart het parlement zich akkoord met het bedrag dat de overheid in het daaropvolgende jaar voor allerlei taken mag uitgeven. De begroting machtigt de desbetreffende minister onder andere een bepaald bedrag uit te geven voor salarissen en aankopen bij bedrijven in de marktsector. Het is goed denkbaar dat de beschikbaarstelling van meer geld niet leidt tot grotere inzet van personeel en geen betere dienstverlening door de overheid tot gevolg heeft.

Een akelig voorbeeld vormt de politie. De afgelopen jaren is het budget voor de in vijfentwintig regio's werkzame politiekorpsen flink opgehoogd. Desondanks kwam er in de tweede helft van de jaren negentig nauwelijks meer blauw op straat. De extra door de volksvertegenwoordiging beschikbaar gestelde middelen zijn niet gebruikt om extra straatagenten in dienst te nemen, maar hoofdzakelijk opgegaan aan reorganisatiekosten, de bouw van politiebureaus, de aanschaf van een nieuw wagenpark en de gedeeltelijk mislukte automatisering van werkprocessen. Dit voorbeeld illustreert dat verruiming van via de begroting beschikbaar gestelde middelen zeker niet min of meer vanzelfsprekend leidt tot een ruimer of kwalitatief beter voorzieningenaanbod.

Zelfs wanneer een extra blik agenten wordt opengetrokken, is het lang niet zeker dat de personeelsuitbreiding tot gevolg heeft dat hoeveelheid en kwaliteit van de dienstverlening aantoonbaar verbeteren. Om een optimale inzet van belastingguldens te bereiken zou de begroting daarom – behalve een beeld van de uitgaven voor bepaalde overheidstaken – ook inzicht moeten geven in de omvang en kwaliteit van geleverde prestaties. Daar wordt in Den Haag en omstreken aan gewerkt, maar we zijn er nog lang niet.

Het ideaal is een overzicht dat laat zien in hoeverre aangekondigd beleid effect heeft. Om bij het voorbeeld van de politie te blijven, zo'n overzicht zou behalve de uitgaven een beeld geven van het aantal uren dat de politie daadwerkelijk op straat is, op uren en plaatsen waar de inzet het meest nodig is. Maatstaven om het succes van het beleid aan af te meten zijn bijvoorbeeld een groter aantal opgehelderde misdrijven, een daling van het aantal misdrijven en de mate waarin mensen zich op straat en in het openbaar vervoer veiliger zijn gaan voelen. Het opnemen van dergelijke gegevens in de begroting vergemakkelijkt een beoordeling van de doeltreffendheid van het overheidsoptreden (worden de beoogde doelen bereikt?) en van de doelmatigheid (gebeurt dit tegen de laagste kosten?).

Te veel nadruk op kwantiteit – meer agenten op straat – kan de aandacht gemakkelijk afleiden van de vraag naar de kwaliteit van de dienstverlening. Bovendien heeft onderzoeker Van Tulder van het Sociaal en Cultureel Planbureau in zijn proefschrift aangetooond dat effectieve misdaadbestrijding meer is gediend met een doeltreffender opererende rechterlijke macht dan met uitbreiding van het aantal agenten.

Wanneer diensten door een groot aantal instellingen worden aangeboden – scholen, politieregio's, verzorgingshuizen – is `benchmarking' een geschikte manier om de doelmatigheid van producenten te meten. Bij deze methode worden gegevens over kwaliteit en kwantiteit van de productie en exploitatiegegevens van verschillende producenten onderling vergeleken. De overheid als financier kan organisaties die in verhouding doelmatig produceren aan de overige ten voorbeeld stellen.

Versterking van de positie van afnemers kan producenten eveneens prikkelen tot een doelmatiger productiewijze. Hier valt te denken aan voorlichting (bijvoorbeeld over de kwaliteit van scholen) en subsidiëring van gebruikers in plaats van producenten (persoonsgebonden budget in de gezinszorg, gemeenten die de boer op kunnen om arbeidsbemiddeling voor hun bijstandsklanten te kopen).

Benchmarking en ruimere keuzevrijheid van afnemers van collectief gefinancierde voorzieningen maken voor de betrokken producenten elke dag tot een gehaktdag. Daar kunnen Kamerleden alleen van dromen.