Een blaffende hond die heeft geleerd om te bijten

In het Europees Parlement komt het zelden tot spectaculaire gevechten. Maar de Europese volksvertegenwoordiging heeft wel degelijk tanden en gebruikt ze soms ook.

HET EUROPEES Parlement heeft de reputatie een verzameling machteloze politici te zijn die dankzij hoge onkostenvergoedingen in Brussel en Straatsburg kunnen flierefluiten. Dat is niet terecht. Want dit parlement met 626 leden uit de vijftien lidstaten van de Europese Unie (EU) heeft wel degelijk macht en spant zich ook in om die te laten gelden. Er zijn zelfs landen die zich zorgen maken omdat ze vinden dat het Europees Parlement te veel macht verovert.

Het parlement speelt soms een sleutelrol bij de totstandkoming van besluiten die iedere burger van de Europese Unie direct aangaan. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de vorig jaar vastgestelde Europese wetgeving tegen milieuvervuiling door het wegverkeer. Met ingang van 2005 moeten auto's in de EU 70 procent minder vervuilende uitlaatgassen produceren dan nu het geval is. Daarvoor worden strenge eisen gesteld aan de auto-industrie, die de motortechniek moeten verbeteren en tot het gebruik van andere katalysatoren moeten leiden. Ook de olie-industrie moet investeren in de productie van schonere brandstoffen.

De Europese wetgeving over deze milieu-eisen is door het Europees Parlement zwaar bevochten, herinnert zich kandidaat-Europarlementariër Alexander de Roo (GroenLinks). Hij was assistent van de rapporteurs van het parlement over de autokwestie, de Finse Groene Europarlementariër Heidi Hautala en de Duitse socialist Bernd Lange. Hun taak was het opstellen van een ontwerpresolutie voor het parlement.

Het begon allemaal in juni 1996 toen de Europese Commissie na lang overleg met zowel de auto- als de olie-industrie een voorstel deed voor eisen die in het jaar 2000 aan brandstoffen en uitlaatgassen moeten worden gesteld. De Commissie meende dat er nog enkele jaren tijd was voordat normen vanaf 2005 vastgesteld moesten worden. Maar bij de eerste behandeling van dit voorstel eiste het parlement dat onmiddellijk definitief besloten zou worden tot de verplichting dat benzine in 2005 zwavelarm moet zijn. Auto's moeten daarvoor een nieuw soort katalysator krijgen. De Europese Commissie paste daarna haar oorspronkelijke voorstel maar ten dele aan amendementen van het parlement aan.

Europarlementariërs Hautala en Lange gingen bij de lidstaten van de EU lobbyen voor het standpunt van het parlement, waarvoor in Noord-Europa meer begrip bestond dan in de zuidelijke landen. In Noord-Europa had de olie-industrie al meer geïnvesteerd in de productie van zwavelarme benzine dan in zuidelijke landen. Frankrijk liet zich overreden in te stemmen met definitieve milieueisen in 2005, maar het wilde wel dat die normen iets minder streng werden dan het parlement wenste. De meerderheid van de ministers van Milieu van de EU nam dat standpunt vervolgens in oktober 1997 over en het voorstel voor een Europese richtlijn werd gewijzigd.

Volgens de procedure waarbij het parlement meebeslist over wetgeving, behandelden de Europarlementariërs de kwestie daarna in februari vorig jaar een tweede keer. De olie-industrie, vooral de Zuid-Europese, voerde een krachtige lobby tegen het voorstel omdat zwavelarme benzine in 2005 een onmogelijke zaak zou zijn. De auto-industrie zag in strenge Europese milieunormen echter een kans om door het ontwikkelen van een nieuw soort katalysator internationaal een technologische voorsprong te bereiken. Uiteindelijk besloot de overgrote meerderheid van het parlement – groenen, liberalen, socialisten en veel christen-democraten – dat er in 2005 zeer strenge normen voor benzine en uitlaatgassen moesten komen.

Omdat de standpunten van de ministers van de lidstaten en het parlement niet geheel overeenkwamen, moest vervolgens in juni vorig jaar een zogenaamd conciliatiecomité worden gevormd. In zo'n comité moeten de ministers en een afvaardiging van het parlement onderhandelen over een compromis. Dat werd diezelfde maand nog bereikt. De ministers aanvaardden dat de milieunormen voor 2005 onherroepelijk vastgelegd werden en het parlement gaf toe dat er in dat jaar 50 ppm zwavel in een liter benzine mag zitten in plaats van de oorspronkelijk geëiste 30 ppm per liter. Op dit ogenblik bevat de benzine in de meeste Europese landen ruim 500 ppm zwavel per liter.

De meeste Europese burgers hebben van dit gevecht van het Europees Parlement voor strengere milieunormen maar weinig gemerkt. Hoogstens hebben ze over het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie en over de uiteindelijke overeenkomst tussen de ministers van Milieu en het parlement gehoord. Dat heeft veel te maken met de manier waarop het Europees Parlement opereert. Er is allereerst geen sprake van regeringsfracties en oppositie. Daarom heeft er in het parlement vrijwel nooit een spectaculaire strijd plaats.

Bovendien kunnen bij de huidige zetelverdeling in het parlement geen meerderheden worden gevormd zonder dat (eventueel een deel van) de twee grootste fracties – de socialisten en de christen-democraten – daaraan meedoen. Het parlement is dus gedwongen om standpunten te formuleren waarin zich een nogal brede meerderheid zich kan vinden.

Spektakel was er wel in het Europees Parlement in januari van dit jaar. Toen ondervond de Europese Commissie dat het parlement zijn controletaak wel degelijk serieus kan nemen. Bijna de helft van het parlement steunde een motie van wantrouwen tegen de Commissie. Dat was weliswaar niet de vereiste tweederde meerderheid, maar genoeg voor de Commissie om in maart niet nog eens een stemming over zo'n motie te willen riskeren. Toen een comité van wijzen – ingesteld op verzoek van parlement en Commissie – zeer negatief oordeelde over het functioneren van de Eurocommissarissen, stapte de Commissie op voordat het Europees Parlement over die kritiek kon debatteren.

De voorzitter van de nieuwe Europese Commissie, de Italiaan Romano Prodi, kan er ook op rekenen dat de nieuwe ploeg Eurocommissarissen die hij na de Europese verkiezingen presenteert, zeer kritisch aan de tand gevoeld zal worden voordat het Europees Parlement met de benoeming instemt. Het parlement heeft voor het eerst in de geschiedenis een Europese Commissie tot aftreden gedwongen. Lang was het gewoonte dat veel Europarlementariërs als het erop aankwam stemden zoals hun nationale regeringsleiders hun voorschreven. Daardoor kreeg het parlement de naam van een blaffende hond die als het er op aan komt niet bijt. Daaraan lijkt de afgelopen maanden een eind te zijn gekomen.

Verschillende factoren hebben tot die verandering bij het parlement bijgedragen. De druk om eens door te bijten is de afgelopen jaren toegenomen als gevolg van de groeiende kritiek op de Europese Commissie. Vijf jaar geleden stemde het parlement met slechts een beperkte meerderheid in met de samenstelling van de Commissie onder voorzitterschap van de Luxemburger Jacques Santer. De Groene fractie heeft veel publicitair succes gehad met het tot schandalen verheffen van missers van de toch al zwakke Commissie. Het ging om zaken die varieerden van de trage aanpak van de gekke koeienziekte tot de kwaliteit van onderzoek naar corruptie. Steeds meer Europarlementariërs vonden dat zij niet konden achterblijven met kritiek op de Commissie.

Daarbij komt dat de houding van de Duitse Europarlementariërs ingrijpend is veranderd sinds de verkiezingen voor de Duitse Bondsdag van vorig jaar september. Die leidden tot de opvolging van de christen-democratische bondskanselier Kohl door de socialist Schröder. Vanaf dat ogenblik zijn de Duitse christen-democraten zich in het Europees Parlement als harde oppositiepartij gaan gedragen. Omdat schandalen over de Europese Commissie tot veel ophef in de Duitse pers leidden, wilden Duitse socialisten met kritiek niet bij de christen-democraten achterblijven. De Duitsers hebben met 99 van de 626 zetels in het Europees Parlement een zeer grote invloed.

In het verleden had Kohl de gewoonte als het op een motie van wantrouwen tegen de Commissie aankwam om de Duitse christen-democratische Europarlementariërs onder druk te zetten om geen Europese crisis te veroorzaken. In januari waren de Duitse christen-democraten hiervan bevrijd. Druk van met name de Britse premier Blair op de socialistische fractie om de positie van de Europese Commissie niet op het spel te zetten, had vrijwel geen effect op de Duitse socialisten.

Door het aftreden van de Europese Commissie zijn de Europarlementariërs zich bewust geworden van de eigen macht. Ze maken geen aanstalten om die uit handen te geven.