De polderpopulist

Geef me een balkon en ik neem het presidentschap'. Deze gevleugelde uitspraak is afkomstig van José Maria Velasco Ibarra en hij heeft hem veelvuldig in de praktijk gebracht. Tussen 1934 en 1972 is Velasco Ibarra vijf keer gekozen tot president van Ecuador. Iedere keer wist hij met zijn oratorische talent de kiezers voor zich te winnen. En telkens kwam er vroegtijdig een einde aan zijn bewind. In 1972 werd hij voor de vierde keer afgezet.

Velasco Ibarra geldt als een klassiek voorbeeld van de populistische politicus waarvan Latijns Amerika zo'n rijke traditie heeft. Perón in Argentinië kon er ook wat van, om niet te spreken van Evita. Zij was zo begenadigd in het uitdelen van gunsten aan het volk dat zich een religieuze mystiek om haar persoon heeft gevormd.

Populisme is een verzamelnaam en er bestaan populistische politici van linkse en rechtse signatuur. Ze hebben wel een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Ze richten zich direct tot het volk. Ze gebruiken de staat als instrument, geven overheidsbanen weg en ze menen dat de staatskas een onuitputtelijke financieringsbron is. Als de bodem van de schatkist is bereikt (of de opgelopen schulden niet langer gefinancierd kunnen worden), verdwijnen ze schielijk van het politieke toneel. Hun opvolgers zitten met de financiële ellende.

Het verschijnsel beperkt zich niet tot Zuid-Amerikaanse bananenrepublieken. Ook Nederland heeft hier ervaring mee. Hans Wiegel heeft het er ver mee geschopt.

Wiegel wordt bewonderd omdat hij `de mensen in het land' zo goed aanvoelde. En omdat hij als een van de weinige politici in Nederland begreep hoe hij de kiezers moest aanspreken. Daarvoor gebruikte Wiegel de wakkere ochtendkrant of de lens van de televisiecamera. Dat was het `balkon' voor het `orakel uit Leeuwarden'.

Vraag een prominente VVD'er als Frits Bolkestein waar de oorzaken liggen van de financieel-economische malaise die Nederland in de jaren tachtig doormaakte en er volgt een Pavlov-reactie. Het was de schuld van het linkse kabinet-Den Uyl. Toen is de boel in Nederland uit de hand gelopen.

Nu heeft het kabinet-Den Uyl onverstandige dingen gedaan, zoals het expansieve beleid in reactie op de oliecrisis in 1973 en het besluit van minister Boersma (ARP, Sociale Zaken) om de bijstand en de jeugdlonen tot het wettelijk minimumniveau op te trekken. Maar onder het kabinet-Van Agt-Wiegel (1977-1981) werd het niet beter. Integendeel. In die kabinetsperiode zijn de overheidsfinanciën volkomen uit de hand gelopen.

Goed, dat had ook te maken met de spilzucht van minister Albeda (CDA, Sociale Zaken), de ondermijning van het kabinet door de kersverse CDA-fractie in de Tweede Kamer met zijn dissidenten en grillige fractieleider Ruud Lubbers. Maar evenzeer met het gemak waarmee Wiegel, vice-premier en leider van de coalitiepartner, de zaken op zijn beloop liet. Hij trok een zuinig mondje en gaf geld uit.

Daarom is het onbegrijpelijk dat binnen de VVD, maar ook daarbuiten, nog altijd zoveel bewondering bestaat voor Wiegel. Want de senator die twee weken geleden het tweede paarse kabinet liet struikelen, heeft in zijn vierjarige ministersperiode onder het motto van `puinruimen' vooral puin achtergelaten, zoals blijkt uit onderstaand staatje.

Begin 1980 trad CDA-minister Andriessen (Financiën) af omdat hij onvoldoende steun voor zijn bezuinigingen in het kabinet kreeg. VVD-leider Wiegel bleef rustig zitten.

Wiegel was als minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor de ambtenaren. Tijdens zijn vierjarige bewind is het totaal aantal rijksambtenaren toegenomen met zeven procent (tot 151.000) en het aantal ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken (inclusief het Rijkscomputercentrum) met ruim twaalf procent (tot bijna 3.000). Het heeft volgende kabinetten jaren gekost om het aantal ambtenaren terug te brengen naar het niveau uit de tijd van Den Uyl.

Na een kortstondig intermezzo werd pas met het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers (eind 1982) een serieus begin gemaakt met saneringen. Door het na-ijleffect van de uitgaven liep het tekort eerst nog verder op.

Tegenwoordig is het nauwelijks voor te stellen dat Nederland overheidstekorten had tegen de tien procent en dat de VVD daar geen moeite mee had. Geld speelt geen rol, zal de polderpopulist gedacht hebben. Nadat Wiegel in 1982 uit Den Haag was vertrokken, heeft Nederland anderhalf decennium – en veel verloren welvaart – nodig gehad om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen.