British Steel

`Chinees vliegveld, Italiaanse architect, British Steel'. In een grootscheepse reclamecampagne met foto's van imposante bruggen, spoorlijnen en vliegvelden vijlt British Steel, de grootste Britse staalproducent en de zesde ter wereld, dezer dagen aan zijn imago van wereldwijd geliefde Britse degelijkheid.

De werkelijkheid is iets minder glorieus. Overcapaciteit, het dure pond, moordende concurrentie en een reeks belastingverhogingen doen British Steel zwaar buigen.

De winst is gedaald van ruim een miljard pond (3,2 miljard gulden) in 1996 tot 300 miljoen pond in 1998. Dit jaar wordt een verlies van 200 miljoen pond voorspeld. Een ingrijpende reorganisatie, die 12.000 van de ruim 50.000 arbeidsplaatsen kost en mogelijk leidt tot het sluiten van twee fabrieken, moet die trend ombuigen.

British Steel, de paraplu waaronder de meeste Britse staalondernemingen in 1996 samengingen met een beurswaarde van 2,65 miljard pond, is volgens analisten op zichzelf uiterst succesvol. Weinig Britse bedrijfstakken kunnen erop bogen hun productiviteit in twintig jaar verviervoudigd te hebben.

Maar de waarde van zulke cijfers is relatief. Overcapaciteit en dumping heeft staal vorig jaar 30 procent minder waard gemaakt. Voor Europese concurrenten van British Steel lijkt de ergste pijn over nu de euro in waarde is gedaald. Maar de dure pond blijft de Britten onverminderd parten spelen. Nationaal is British Steel ook in het nadeel, door een milieu-belasting en doordat Britse elektriciteitsprijzen tot 40 procent hoger zijn dan elders in Europa. Staalondernemingen zijn grootgebruikers van stroom.