Bloem (2)

Op zo'n tentoonstelling als die over J.C. Bloem in het Letterkundig Museum in Den Haag zal de liefhebber vooral speuren naar nooit eerder gelezen teksten van of over de meester. Zijn die er ook? Jazeker, al is het wel even zoeken.

Zo tikte Bloem bovenaan een brief van 6 juni 1929 aan Slauerhoff, die zijn bezoek aan de Bloems in St. Nicolaasga had aangekondigd, het volgende spotgedichtje: Die ik aan een gier geklemd dacht zwevende over de Andes,/ Of snaren toklend aan den langoureuzen Taag,/ Verkrachtend te Parijs, of zwervend langs de Andes,/ Is nu godbetert arts in 't Friese Beetsterzwaag.

Saillant is ook de zuinige reactie van Albert Verwey, redacteur van De Beweging, als Bloem hem zijn eerste gedichten laat lezen: ,,Ik zeg daarom niet dat uw verzen die van een dichter zijn, maar ze zijn van iemand die een indruk aardig weet te teekenen.''

Bloem was geen gemakkelijk mens. ,,Hij was een duivel'', heeft zijn (ex-)echtgenote Clara Eggink zich wel eens laten ontvallen. Eén briefje op de tentoonstelling herinnert aan de donkere kant van zijn karakter. Op 5 februari 1935 schrijft Bloem aan Adriaan Roland Holst dat ene Plate hem vanwege een vers in De Gemeenschap de vriendschap had opgezegd.

Waarom, wie was die Plate en om welk gedicht ging het? Dat vermeldt de expositie helaas niet. Rudolf Plate komt voor in Clara Egginks Leven met J.C. Bloem. Hij was griffier in Schagen en als zodanig een collega van Bloem, die griffier van het kantongerecht in Lemmer was geworden. Plate – trouwens, ook Victor van Vriesland, een andere vriend van Bloem – was furieus over het gedicht Later, dat Bloem in De Gemeenschap gepubliceerd had.

Het is het enige gedicht waarin Bloem zijn rancune over zijn mislukte huwelijk met Eggink de vrije loop laat. Hij moet dat ook zelf achteraf betreurd hebben, want hij heeft het nooit gebundeld. (Het staat alleen in de wetenschappelijke editie van Bloems verzamelde gedichten.) Toch merkt Bloem in zijn brief aan Roland Holst nog wel wrang over Plate op: ,,Ten slotte voel ik er iets in van een man die, om mij even keurig uit te drukken, niet weet wat een vrouw is.''

Pièce de résistance op de Bloem-expositie is een nooit eerder gepubliceerd gedicht. Het heet Ierland en het is op 14 april 1949 door Bloem bij Geert van Oorschot geschreven na een bezoek aan De Kring. Bloem vond het niet goed genoeg voor publicatie. Jammer – want het is beslist de moeite waard.

Het gaat over de vergeefsheid van reizen (,,Zou ik ooit Ierland zien? 'k geloof het niet'', luidt de beginregel) en het sluit af met deze strofe: In 't zicht des doods voegt niets dan stil de straf/ Des levens uit te zitten en te trachten/ Niet meer te denken hoe 't had kunnen zijn.

Wie het hele gedicht wil lezen, reppe zich naar Den Haag. Er is wel eens wat aan te merken op dat museum, maar het moet wél blijven.