Banengroei in EU vergt flexibilisering

De werkgelegenheid in de EU ontwikkelt zich de laatste decennia aanzienlijk slechter dan in de VS. Flexibilisering van de Europese arbeidsmarkt is ontontkoombaar.

Het werkgelegenheidspact waaraan de Europese leiders deze week tijdens de Keulse top hun goedkeuring zullen hechten gaat vooral over vorm en procedure, veel minder over inhoud en steekhoudende maatregelen. Het bevestigt eerdere afspraken van de EU-lidstaten om elkaar regelmatig in te lichten over hun werkgelegenheidsbeleid en de resultaten ervan. Verder nemen zij zich ongetwijfeld voor hun arbeidsmarkten te hervormen en het ondernemingsklimaat te verbeteren, al komt de uitwerking daarvan neer op een vrijblijvend `elk wat wils'.

Ook moet er – mede naar Nederlands poldervoorbeeld - een soort Europese sociale dialoog op gang komen in de vorm van een tweejaarlijks gesprek tussen lidstaten, Europese instellingen, werkgevers en werknemers. ,,Van mij mag dat een pact heten'', commentarieerde premier Kok eind vorig jaar in Wenen wat laconiek. Minister Klaas de Vries (SoZaWe) toonde meer enthousiasme: ,,Wij hebben daarmee grote successen geboekt en in Europa is er op dit terrein een wereld te winnen.''

Feit blijft dat de Europese prestaties op het punt van werkschepping abominabel zijn, zeker in vergelijking met Amerika en Japan. Nog in 1974 zat de Europese werkloosheid op amper 3 procent en in de VS op het dubbele: 6 procent. In 1990 was de Europese werkloosheid verdrievoudigd, terwijl die in de VS opnieuw 6 procent bedroeg. En nu zit Europa op een gemiddelde werkloosheid van ruim 11 procent en de VS op eenderde daarvan: 3,6 procent. Een kolossale verschuiving, en dat terwijl beide trans-Atlantische systemen de afgelopen dertig jaar nauwelijks veranderden.

In de voornaamste Europese hoofdsteden zijn verwarring en hulpeloosheid nog steeds troef en worden met regelmaat krokodillentranen vergoten over `het natuurverschijnsel' van het banengebrek. Toch zijn de oorzaken van de malaise in tal van studies van gezaghebbende instellingen allang breed en glashelder blootgelegd.

Neem de World Economic Outlook die het Internationale Monetaire Fonds vijf weken geleden uitbracht en die onder meer voortborduurt op eerdere 'Job Studies' van de OESO. Vanaf 1970, zo stelt het IMF, werd de wereldeconomie getroffen door drie grote schokken: een val in productiviteit na de briljante jaren 50/60, de oliecrises van 1973 en 1979, en een stijging van de reële rentevoet. Het effect was in de VS en in Europa aanvankelijk gelijk: een forse groei van de werkloosheid. Maar op wat langere termijn gingen de gevolgen drastisch uiteenlopen. Amerika's flexibele arbeidsmarkten pasten zich aan de verslechterde omstandigheden aan, de arbeid werd er goedkoper en de werkgelegenheid herstelde zich. Maar op Europa's minder flexibele en meer gereguleerde arbeidsmarkten bleef de loonhoogte ondanks de schokken intact. Arbeid werd duurder en de werkloosheid stagneerde, ook na het wegebben van de schokken, op een hoger niveau.

Deze structurele Europese werkloosheid werd vervolgens bestendigd. Want de hoge arbeidskosten stimuleerden meer kapitaalintensieve productie. Tegelijk werden door de relatief hoge arbeidskosten in Europa vele activiteiten daar minder rendabel waardoor er minder werd geïnvesteerd. Zo simpel is het.

De cijfers spreken voor zichzelf. De loonkosten in de VS lagen in 1998 25 procent hoger dan in 1970, terwijl die in de Europese Unie met 65 procent toenamen. Daarbij groeide de Europese werkgelegenheid in de periode 1970-1998 met een magere 10 procent, terwijl die in de VS explodeerde met 67 procent.

De remedies die uit deze frappante ontwikkelingen zijn te destilleren liggen voor de hand: loonmatiging en loondifferentiatie. Landen die daar het meest in slaagden hebben volgens het IMF ofwel een sterk gedecentraliseerd en ongecoördineerd systeem van loonvorming – zoals de VS en Canada – of juist het tegenovergestelde: een sterk gecentraliseerd en gecoördineerd systeem van loonvorming, wat doorvoering van die remedies door verstandige leiders (Ieralnd, Nederland en Oostenrijk) eveneens mogelijk bleek te maken.

Opvallend is dat met name de grote continentaal-Europese landen die daartussen zweven het slechtst scoren en met de hoogste werkloosheid kampen. En ook nu zwalken ze nog. Neem Duitsland, waar de regering werkgevers die lage lonenbanen scheppen wil subsidiëren en tegelijk een inkomstenbelasting voor laagbetaalden op stapel zet. Of neem Frankrijk, waar premier Jospin de werkgevers verplicht tot een arbeidskostenverhogende 35-urige werkweek en ze tegelijk een verlaging van de sociale premies belooft als ze meer banen scheppen.

Een van de voornaamste barrières voor arbeidsmarkthervorming in Europa blijft de bezorgdheid over grotere inkomensongelijkheid en de bedreiging van de sociale cohesie. Maar de kosten van niet-hervormen zijn, volgens het IMF, ook enorm. Zou de gemiddelde Europese werkloosheid dalen van ruim 11 procent naar 5 procent, dat zou Europa's bruto nationale product met niet minder dan 4 procent stijgen. Evenzeer is het de vraag of de sociale cohesie wordt bevorderd door 18 miljoen Europeanen buiten de arbeidsmarkt en een goed deel van het sociale leven te sluiten.

Verder vreest het IMF dat Europa's genereuze stelsel van sociale voorzieningen door vergrijzing en ontgroening onbetaalbaar wordt en wel moet afslanken. Tot slot wordt een flexibeler arbeidsmarkt afgedwongen door de komst van EMU en euro. Daardoor is het opvangen van zogeheten asymmetrische schokken binnen Europa langs monetair-valutaire weg onmogelijk geworden. Flexibilisering van de arbeidsmarkt is daardoor onontkoombaar, op straffe van nog meer werkloosheid.