Aan de vergetelheid ontrukt

Aberdeen, Bristol en Hull waren tien jaar geleden allesbehalve toeristenmagneten. Nu waait in die drie Britse havensteden meer dan één frisse wind. Drie bezoeken aan maritiem verleden en moderne kunst.

Meeuwen. Die hoor je het eerst als je in Aberdeen, Bristol of Hull uit de trein stapt. Ze zeggen dat je aan zee bent. Aberdeen ligt aan de Schotse oostkust en is het hoofdkwartier van de oliewinning op de Noordzee. Het waait er altijd. En anders hangt er wel mist tussen de grijze huizen. Aberdeen is van graniet. Hull ligt net achter de Doggersbank, aan de monding van de modderige Humber. Hull is van rode baksteen. Ze maken er nog steeds vissticks, maar de vis wordt nu per vrachtwagen aangevoerd. Bristol ligt aan de zeearm tussen Wales en Cornwall. Hier kwamen eeuwenlang tabak en sherry aan land, brandstoffen van het Empire. Als de zon op de zandstenen huizen schijnt, lijkt Bristol van koper.

Vroeger zou je er niet voor je plezier heengaan. Decennia van industrieel verval en wanbestuur hebben in hun centrum gemene littekens achtergelaten. Maar op een golf van economisch optimisme en met het toerisme als groeimarkt vinden Aberdeen, Bristol en Hull zichzelf opnieuw uit.

Alle drie investeren ze veel geld in stadsvernieuwing en restauratie van hun oude centrum. Aberdeen, door de olie-boom van de jaren '70 schoksgewijs de rijkste stad van Schotland geworden, doet dat al langer. Toerisme is voor het `Houston van Europa' ook een manier om zijn economie minder van olie afhankelijk te maken; bij de huidige lage olieprijs geen loze exercitie.

In Bristol en Hull is de vitaliteit vooral het gevolg van recente samenwerkingsverbanden tussen overheid en bedrijfsleven, zogeheten public-private partnerships, die met een conservatieve regering en een linkse gemeenteraad vroeger nauwelijks mogelijk waren. Nu bloeien ze door Tony Blairs politiek-van-het-midden, de `Derde weg'. De recessie van begin jaren '90 liet Bristol en Hull klinisch dood achter. Hun havens waren leeg. In Bristol vielen massa-ontslagen bij financiële bedrijven en in de defensie-industrie. En Hull zag niet hoe het ooit een alternatief voor de afstervende visserij kon vinden.

Inmiddels is de leegloop gekeerd, regent het banen en zijn woningen weer gezocht. Meer dan een miljard pond is geïnvesteerd of komt eraan. Voor businessparken en infrastructuur. En voor huizenbouw, musea en centra waar je van technologie kunt proeven. Bristol blaakt van zelfvertrouwen. Hull viert morgen 700 jaar stadsrechten. Met een bezoek van koningin Elizabeth. En met aartsbisschop Tutu, die de William Wilberforce-lezing houdt, genoemd naar de beroemde Hullenaar die in de vorige eeuw campagne voerde voor de afschaffing van slavernij. De stad zelf lijkt ook ontketend.

Aberdeen, Bristol en Hull hebben een roemrijk maritiem verleden. Nu de scheepsbouw, zeevaart en visserij niet meer zijn wat ze waren, hebben ze daarvoor een fraai monument opgericht. Hun maritieme musea horen tot de mooiste van het land. Ook doen ze alledrie energiek aan moderne kunst, van jazz tot dans en van poëziefestivals tot land art. Lelijke kantoorblokken en lege pakhuizen zijn er nog genoeg te vinden. En wie van fish & chips houdt – met azijn en uit een krant – wordt er nog steeds niet teleurgesteld. Maar je kunt er ook mondain tafelen en cocktails drinken. De nieuwste films draaien er, het theaterleven bloeit en naar een goede boekwinkel hoef je ook niet lang te zoeken.

Het beste bezoek aan Aberdeen begint op een doordeweekse ochtend om een uur of zeven, als de visveiling aan Palmerston Quay bezig is. Onder tl-licht beweegt zich daar een langzame processie op kaplaarzen tussen rijen plastic kisten: schol van de North Star, tong van de Fear Not en zeeduivel van de Melita. Terwijl ze in mobiele telefoontjes praten, seinen de viskopers met minuscule knikjes hun bod naar de veilingmeester in zijn witte jas, die spreekt als een motorzaag.

Diezelfde vissen komen nog een keer terug als je later naar het maritiem museum loopt, ook aan de haven. In de entreehal staan in krijt op kleine schoolbordjes de waterstanden, de tijden van zonsop en -ondergang en hoeveel dozen er die dag aan wal zijn gebracht. Vandaag zijn het er 1.648.

Nieuwerwetse toevoegingen aan een oud gebouw zijn niet altijd een succes. Bij het maritiem museum van Aberdeen is het wel gelukt. Tegen het Old Provost's House, het oudste huis van de stad, is een glas-en-stalen blok aangezet. Bezoekers doorlopen een parcours dat afwisselend door de kamers van het oude huis en door het nieuwe deel gaat. Licht en donker, oud en nieuw, groot en klein wisselen elkaar op die manier af, niet alleen in de omgeving, maar ook in de tentoonstelling: in het huis van de oude provoost hangen schilderijen en zijn scheepsmodellen te zien, in het moderne deel staan grotere exposities over tank- en sleepvaart en natuurlijk over de olie.

Aberdeen is niet volmaakt. De schoonheidscommissie heeft af en toe twee oogjes dichtgedaan. En Golden Square, een vierkant plein met statige granieten huizen, zou de mooiste kamer van de stad kunnen zijn, maar het is 24 uur per dag als parkeerterrein in bedrijf. En toch `klopt' Aberdeen; al die valse noten zijn charmant.

De klinkerstraatjes en -pleintjes tussen de haven en het zakencentrum zijn prachtig gerestaureerd, maar hippe wine bars worden er afgewisseld door kroegen waar matrozen en offshore-lassers met damesgezelschap zo snel mogelijk dronken proberen te worden. Dat voorkomt dat de wijk steriel of gelikt wordt. Je ziet het in His Majesty's Theatre, waar alle grote musicals met betalend publiek worden bijgeschaafd vóór ze naar het Londense West End gaan. Je ziet het aan Union Street, de kaarsrechte ruggengraat van de stad, waar twinsets en boodschappentassen elkaar afwisselen. En je ziet het ook in de Art Gallery, een classicistische kunsttempel waar oude meesters en jonge wilden elkaar in toom houden. Aberdeen is nergens af en volop in bedrijf.

Loop in Bristol langs de makelaar. Tweehonderdduizend pond (ruim zes ton) voor een tweekamer-appartement? Dat lijken wel Londense bedragen. Klopt. In sommige kringen is Bristol een prima alternatief geworden voor de uitlaatgassen en het claustrofobische metro-spitsuur van de hoofdstad. Telewerkend en zonder noodzaak je opdrachtgevers elke dag te zien, vestigen er zich steeds meer jonge Britten met een vrij beroep: kunstenaars, ontwerpers, grafici en sinds de komst van een nieuwe regionaal BBC-hoofdkwartier ook allerlei mediatypes.

Behalve in de huizenprijzen is dat ook elders te merken. Het aantal nachtclubs, cafés en restaurants per vierkante kilometer moet er hoger zijn dan in Londen. Op de menukaart wijken gepaneerde scampi voor Chicken Caesar en sushi. En de obermeisjes wensen je op zijn Californisch `enjoy' als ze met de pepermolen zijn langsgeweest.

Neem in Bristol eerst een stadsbus naar de hooggelegen wijk Clifton en huiver op de ijzeren hangbrug van Isambard Kingdom Brunel (1806-1859), de ingenieur die ook de spoorlijn tussen Londen en Bristol aanlegde. Niet iets voor mensen met hoogtevrees, kennelijk wel iets voor zelfmoordenaars, gezien de bordjes van de telefonische hulplijn aan weerszijden van de brug die de rivier de Avon op honderd meter hoogte overspant.

Vanaf de herenhuizen van Clifton gaat elke weg heuvelafwaarts, maar het is niet ondenkbaar dat je voeten beneden aan de haven toch moe zijn. Dan is de watertaxi een uitkomst. Uitstappen kan bij de aan hedendaagse kunst gewijde Arnolfini Gallery, bij het Industrial Museum dat in Bristol gebouwde stoomtreinen en vliegtuigmotoren laat zien, en ten slotte bij de S.S. Great Britain, met Nelsons Victory het belangrijkste Britse museumschip.

Dat schip, ook een schepping van Brunel, was het eerste grote stoomschip dat door een schroef werd aangedreven. Gebouwd vanaf 1839 verging het in 1886 bijna in een storm bij Kaap Hoorn, maar het wist nog net de Falkland-eilanden te halen. Daar roestte het langzaam weg. Tot iemand besloot dat het een monument was. Op een ponton werd de Great Britain naar Bristol gebracht en bijgezet in hetzelfde droogdok waar het werd gebouwd. De restauratie moet over twee jaar voltooid zijn.

Nederlanders bereiken Hull, officieel Kingston-upon-Hull, meestal over zee, met de nachtboot uit Rotterdam. Voor hen is het niet meer dan een tussenstation op weg naar Schotland of Wales. Wie per trein van Londen naar Hull reist, heeft de laatste tien kilometer ook het gevoel te varen. De spoorbaan loopt zo dicht langs de Humber dat je uit het raam alleen grauwe golven ziet langsschuiven. Bovendien doen de schots en scheve rails het dieseltreintje rollen als een schip. Zo bezien is het station van Hull ook een soort haven.

Een paar honderd meter verder, achter Victoria Square waar het zeemuseum en het kunstmuseum staan, beginnen de echte havens. In 1982 meerde de schrijver Jonathan Raban zijn zeilbootje af in het reusachtige visdok. ,,Alleen maar water'', schreef hij in Coasting, het klassieke verslag van zijn reis langs de Engelse kust. ,,Achter de sluisdeur gaapte het, kleuren marmerend op zijn olieachtig oppervlak. Er was zelfs geen meeuw te zien.'' Raban was geschokt over de leegte. Toen hij in Hull studeerde, lagen de trawlers er zij aan zij. Weer bijna twintig jaar later is het dok opnieuw gevuld. Met de pleziervloot – klassieke kotters en Tupperware-jachten – en over een ander dok is een winkelcentrum gebouwd dat uit Star Trek afkomstig lijkt. Langs de boorden staan hotels en restaurants.

In de oorlog vielen op Hull meer Duitse bommen dan op enige andere Britse stad. Dat dwong de stad een frisse start te maken. ,,Aanpakken hoort nu eenmaal bij ons karakter'', zeggen oudere inwoners. John Prescott, Blairs ongepolijste en gewiekste vice-premier, kan alleen maar uit Hull komen.

De eigen man in het kabinet heeft de stad geen windeieren gelegd, want sinds 1997 kwamen miljoenen ponden hun kant op. Voor de verbouwing van de dokken, de bouw van appartementen en winkels en voor de aanleg van The Deep, een zee-pretpark dat begin volgende eeuw klaar moet zijn. En Lord Rogers, architect van de Millennium Dome aan de Thames en het Lloyds-gebouw in de Londense City, komt een hopeloze woonwijk van Hull een facelift geven.

Een dag in Hull moet besluiten met een voorstelling van het Hull Truck Theatre. Het is vooral een lokaal gezelschap, maar de meeste premières worden meteen in de landelijke pers besproken. De jongste productie heet Thick as a brick en gaat over een schoolklas die geen toekomst lijkt te hebben. Tót de komst van een invaljuf die de half-verdoofde tienermeisjes leert dansen. Wat ik doe is belangrijk, zegt de lerares aan het eind van het stuk. ,,Het ontwikkelt de verbeelding en het doet je voelen''. Met Hull is hetzelfde gebeurd.