Weinig animo om te promoveren

Promoveren moet aantrekkelijker worden, anders zijn er straks geen jonge onderzoekers meer over. Maar wie moet daarvoor zorgen?

De kranten staan vol met advertenties voor promotieplaatsen. Maar er zijn steeds minder afgestudeerden die de vacatures willen opvullen. De goedbetaalde banen in het bedrijfsleven lokken. Universiteiten moeten steeds vaker hun junior-onderzoekers uit het buitenland halen. Het animo voor een promotieplaats lijkt op een dieptepunt.

Wat is de toekomst van het promoveren? Die vraag stond gisteren in centraal in het debat in de Balie in Amsterdam. Het belang van tevreden jonge onderzoekers moet nu maar eens doordringen, vonden de promovendi die het debat organiseerden. Zij grepen de krappe arbeidsmarkt aan om een verbetering van hun positie af te dwingen.

Ondanks de krappe arbeidsmarkt, waardoor zelfs afgestudeerde alfa's zonder problemen aan een goede baan in het bedrijfsleven kunnen komen, zijn er nog altijd jonge onderzoekers die zoveel hartstocht en gedrevenheid voelen voor een bepaalde wetenschappelijke discipline, dat ze azen op een promotieplaats. In 1997 werden er bijna 2600 dissertaties afgerond, al blijft het onvoldoende om aan de vraag van de universiteiten te voldoen.

Maar het is een illusie te denken dat die gedreven promovendi gekoesterd worden door de universiteiten, lieten ze gisteren en masse weten. Ze krijgen een hongerloontje, hebben nauwelijks rechten en ze worden vaak beroerd begeleid. Bovendien staan ze na vier jaar - in het gunstigste geval met proefschrift onder de arm - op straat. Want de kans om een wetenschappelijke carrière na de promotie voort te zetten, is uiterst gering.

Hoewel de salariëring van de promovendi per universiteit verschilt - met name de technische universiteiten zitten zo met de handen in het haar dat ze het salaris soms tot 100 procent `optoppen' - vinden de meesten het volstrekt onvoldoende. Zowel de assistent in opleiding (aio) als de onderzoeker in opleiding (oio) wordt in feite op het loon gekort omdat ze in opleiding zijn. Dat betekent dat het aanvangsalaris gemiddeld gelijk staat aan bijstandsniveau. ,,Een absurde situatie'', zei oio sociale psychologie B. Keijzer. ,,Wanneer een jonge werknemer een bedrijf binnenkomt, moet hij ook van alles leren. Hij heeft ook een supervisor die over zijn schouder meekijkt. Denk maar niet dat hij daarvoor salaris inlevert.'' Zij pleitte voor een salaris dat kan concurreren met banen elders .

P. Nijkamp, hoogleraar ruimtelijke economie aan de Vrije Universiteit, vond de nadruk op het salaris overtrokken. Zijn motivatie om destijds te promoveren was ,,iets te doen dat anderen nog nooit hadden gedaan''. Als je veel geld wil verdienen, moet je niet gaan promoveren, vond hij. Het is moeilijk te voorspellen hoe het financieel zal uitpakken, al kan het ook meevallen. Van de ruim vijftig promovendi die hij heeft begeleid, ,,rijdt de één in een Mercedes en heeft de ander nauwelijks geld voor een fiets.''

Behalve over het salaris waren de promovendi allerminst te spreken over de ,,middeleeuwse arbeidsvoorwaarden'' aan de universiteiten. Vooral de beurs-promovendi (beursalen) in de zaal, die geen werknemer van de universiteit zijn en dus geen recht hebben op sociale voorzieningen, roerden zich. Waarom, zo vroegen zij zich af, stelt de politiek geen minimum voorwaarden voor een normaal arbeidscontract? R. de Wijkerslooth, directeur—generaal van het ministerie van Onderwijs, beaamde dat het promotiestelsel aantrekkelijker moet worden om het tekort aan onderzoekers in de toekomst te voorkomen. Maar voor beleid moeten de promovendi niet bij het ministerie van Onderwijs zijn, maar bij de universiteiten zelf, stelde hij. Ook Wiersma van de overkoepelende vereniging van universiteiten, waste zijn handen in onschuld. ,,Universiteiten maken tegenwoordig hun eigen CAO, dus moeten zij er iets aan doen.'' Honende geluiden uit de zaal: de promovendi hebben actie gevoerd tot ze erbij neervallen, maar kregen steeds nul op het rekest van het universiteitsbestuur. Sterker nog, niet zelden moesten ze zich tegenover dat zelfde bestuur verantwoorden over het beschadigen van het imago van de universiteit.

Is het proefschrift eenmaal af, dan kan slechts twintig procent binnen de universiteit verder als postdoc. De rest wordt vriendelijk bedankt. Op de arbeidsmarkt zijn ze met hun specialistische kennis minder aantrekkelijk dan zojuist afgestudeerden. Dat is nu eenmaal de realiteit als je kiest voor de wetenschap, zei Nijkamp. ,,Niet iedereen kan hoogleraar worden. Net als ook niet iedereen directeur van Philips kan worden''.

De Wijkerslooth gaf toe dat het wetenschappelijk onderzoek lang geen politieke prioriteit heeft gehad. Maar hij verwacht ,,een keer ten goede''. Al was het alleen maar omdat in de volgende onderwijsbegroting voor het eerst sinds 1983 het budget voor universiteiten zal worden verhoogd. Met hoeveel miljoen? Dat hield hij nog even geheim. Daar konden de promovendi het mee doen.