Tennis, overspel en regen

`Ik zie achter dit aimabele gezelschap de kamer van een min of meer welgesteld heer – misschien wel een advocaat – en achter zijn tafel zit een figuur die op het punt staat een brief voor te lezen – waarschijnlijk een brief van de vrouw van de advocaat, een liefdesbrief aan hem – de ander – gericht. De advocaat wil niet weten wat er staat. Ik ook niet.'' Een overspelige scène van de vorig jaar overleden dichteres Vasalis (M. Drooglever Fortuyn-Leenmans), afkomstig uit een map met vijftien handschriften die psycholoog en schrijver Manuel van Loggem (1916-1998) begin jaren vijftig liet maken door dertien auteurs en de beeldend kunstenaars Melle en Siep van den Berg.

Van Loggem legde allen dezelfde vier aquarellen voor, vervaardigd voor de `Van Lennep-test': een in 1930 door de Utrechtse psycholoog D.J. van Lennep ontwikkeld psychologisch onderzoek waarbij de patiënt na het zien van de afbeeldingen de fantasie de vrije loop moest laten. In de collectie komen handschriften voor van Adriaan Roland Holst, J.C. Bloem, G.K. van het Reve en Lucebert. Interessant is hoe sommige schrijvers, met gebruik van eigen stijlmiddelen, op soortgelijke thema's uitkwamen en anderen een geheel eigen aanpak kozen. Maar ook ontroert de geest van de tijd die uit de teksten opklinkt.

Vasalis schreef beschouwende regels over jeugd, ouderdom en vergankelijkheid. Het tennisveld gold als `tusschenbedrijf' en levensmetafoor: ,,Er worden behalve tennisballen ook huwelijken murw geslagen.''

Belcampo (H.P. Schönfeld Wichers) zag evenals Vasalis uit de afbeeldingen een huwelijksdrama oprijzen. Boekhouder Jan wordt lid van een exclusieve tennisclub. ,,Z'n aantrekkelijk gezicht had zijn gebrek aan maatschappelijke standing daarbij gecompenseerd'', schreef Belcampo; blijkbaar was tennissen destijds zozeer gebonden aan `betere kringen' dat het beeld associaties van standsverschil opriep. Jan ontmoet er Eliane Bordius, de echtgenote van zijn baas. ,,Zij lokte en troonde Jan ongenaakbaar naar zich toe. Onder schijn van belangstelling voor het tennisspel speelde zij een spel voor haar, veel boeiender en opwindender, en weldra voor hem ook.''

Belcampo noteerde de tijd die hij aan zijn test besteedde: 35 minuten. Dat is waarschijnlijk aanzienlijk korter dan de dichter Jan Engelman besteedde aan een zeven velletjes tellend verhaal over een conflict tussen de vrienden en compagnons Pietersen en Jansen. De laatste heeft geld uit de kas ontvreemd om Pietersens echtgenote Maria het hof te kunnen maken. Ook hier speelt verschil in sociale klasse een rol: Pietersen heeft het geld, Jansen de juiste relaties `in beetere kringen'. Nadat Jansen uiteindelijk onder druk van zijn zakenpartner tot een bekentenis is gedwongen, vertrekt hij naar ,,zijn simpele slaapkamer'' waar hij het bed aanschouwt ,,waarin hij zoo vaak met Maria had gelegen''.

Hij overweegt zelfmoord, ervan overtuigd door Maria te worden afgewezen als zijn misdrijf uitkomt. ,,Maar hij zag de belachelijkheid van die overweging in, toen hij zichzelf bekende dat hij nooit de moed zou hebben om uit eigen beweging den dood te zoeken, op welke wijze dan ook. Na een poos onder een lantaarn te hebben gestaan aan een gracht en naar het verschieten van een lichtreclame te hebben gekeken, ging hij weer naar huis''. De volgende ochtend blijkt Maria, die Jansen treft op het tennisveld, nog niets van de verduistering te weten. Jansen maakt met Maria een afspraak en bespeurt ambivalentie: ,,Wat hem diep interesseerde was, of het de laatste avond zou zijn. En reeds bespeurde hij, dat het antwoord op die vraag hem eigenlijk onverschillig liet.''

Ook voor Hella S. Haasse vormde de test het uitgangspunt voor het portret van een mislukt huwelijk. In het ledikant overdenkt een man, luisterend naar de `suizende duisternis', de verwijdering van zijn vrouw die naast hem ligt, nadat zij had laten blijken bepaalde gevoelens die de man serieus nam `gek' te vinden: ,,Het eerste begin van een terugtrekken, de eerste deur van een lange reeks deuren die gesloten zouden worden.'' Daarom verzwijgt hij de roemloze wijze waarop hij zich die dag door een zakenpartner aan de kant had laten zetten. ,,Ik heb niet gezegd dat hij ongelijk had. Zijn vrouw zou dat gek vinden, wanneer hij het haar zei. Gek, gek, waanzinnig. Ze zou opvliegen in bed, het suizen van de duisternis doorbreken. Ben je helemaal gek, ben je waanzinnig, hoe heb je dat in godsnaam kunnen doen. Wat moet hij dan antwoorden?''

Op de terugweg van kantoor was hij door regen overvallen. ,,Ik heb onder zoveel lantaarns staan nadenken, op de weg tussen het station en ons huis. In de aura van lantaarnlicht schuin voorbijflitsende glinsterende druppels, kleine straatstenen, gezien tegen de duisternis buiten de lichtcirkel.''

Het verhaal van Gerard van het Reve, in 25 minuten in zowel het Engels als het Nederlands geschreven, betreft het laatste samenzijn van Philip en Rudy. ,,Philip was bezig geweest de conversatie gaande te houden, maar met gering resultaat'', schreef Van het Reve. ,,Als ze zwegen schonk Philip thee in, of schikte de cigaretten in een andere ligging, of informeerde of de kachel heet genoeg was gestookt.'' Dan begeven ze zich naar het station. Rudy belooft te schrijven, nog op de dag van aankomst, en daarna op zijn minst elke veertien dagen. Een Reviaanse monologue intérieur is het gevolg: ,,`Hij schrijft helemaal geen brief', dacht Philip. `Hij belooft het zonder mijn vraag werkelijk te overwegen. Hij belooft het te gemakkelijk. Misschien stuurt hij een kaart, één kaart, met de mededeling dat hij goed gegeten heeft en dat het goed weer is. Anders niets.' Hij kon ternauwernood spreken en was blij toen de trein zich in beweging zette.''

Op weg naar huis laat Philip, geleund tegen een lantarenpaal, de regen zijn gezicht doorweken. Thuisgekomen verwijdert hij alle herinneringen aan Rudy. ,,Toen begon hij de slaapkamer op te ruimen en gooide de lakens van Rudy's bed in de hoek. Hij trad er met zijn voeten op. `Hij heeft al zijn bezittingen meegenomen', zei hij bij zichzelf.'' En na `in bittere woede' vergeefs te hebben gezocht naar een klein aandenken: ,,`Des te beter', dacht hij. `Des te beter.' Hij ging bij de kachel in de woonkamer zitten en staarde naar de pijp waarin een klein gaatje was zodat hij de vlammen kon zien voorbijgaan, suizende. `Het is voorbij dus', zei hij zachtjes. Hij dacht dat het misschien zelfs beter zou zijn indien hij in het geheel geen post van Rudy zou accepteren. `Hij stuurt één brief', zei hij bij zichzelf. En als ik hem openmaak en lees, maakt het me vier dagen ziek. Ik zou hem beter terug kunnen sturen met `GEADRESSEERDE ONBEKEND' of `GEADRESSEERDE OVERLEDEN'.''

,,In hun jeugd waren de beide jongens verbonden geweest door een vriendschap door dik en dun, zoals men die dikwijls op deze leeftijd ziet'', begint Adriaan Morriën in sierlijke letters zijn verhandeling over de kwijnende jongensvriendschap tussen Jan en Henk. Beide adolescenten dichtten, voelden voor dezelfde meisjes en trotseerden de naderende volwassenheid. Na het eindexamen aanvaarden ze een studie, een baan en binden zich aan een vrouw. Een gezamenlijk ondernomen vakantiereis loopt uit op een teleurstelling: ,,Een definitieve verwijdering, een liquidatie van de jeugdvriendschap en van de `homosexuele' resten. Dankzij de vrouwen, die onmiddellijk de aard van deze vriendschap onderkenden en die elkaar onmiddellijk als elkaars vijandinnen beschouwden.'' Ook Morriëns besluit van een verhouding is uiterst droevig: ,,Henk blijft alleen in het lits-jumeaux, waarin hij een soort proefhuwelijk had willen ondernemen, daartoe door Jan in staat gesteld. Ook hij besluit de volgende dag te vertrekken, zijn meisje achterna. Het zomerweer is omgeslagen. Regen en wind vallen over het land. Men bemerkt dat de dagen korter worden.''

Maar Simon Carmiggelt neemt de test op de hak; in een dialoog probeert de test-afnemer een vrouw voor zijn avances te winnen: ,,De tennismiddag liep ten einde – boven de baan begon de zon onder te gaan. `Wat gaan we straks doen?' vroeg het meisje. `Dat hangt er van af welk plaatje we eerst nemen', antwoordde de jongen. `Doe eens een voorstel', zei ze. `Ik zou je mee uit kunnen nemen', sprak hij, `dan wordt het ... laat en moet ik je vanavond thuis brengen als de laatste trams al weg zijn. Ik zal dan ten slotte in mijn doje eentje op straat staan in een buitenwijk – en je wéét dat het onder zulke omstandigheden altijd gaat regenen'.''