Privacyverklaring van historici `een formaliteit'

Nanda van de Zee schrijft geen biografie van Loe de Jong. Ze weigert een verklaring ter bescherming van de privacy te tekenen. Collega-historici vinden haar actie merkwaardig.

Het belang van openbaarheid en de bescherming van de privacy botsen regelmatig. Neem het onderzoek naar gedwongen prostitutie in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor de Stichting Japanse Ereschulden een belangrijk onderwerp. ,,Maar veel slachtoffers zijn nog in leven en hun privacy moet worden beschermd'', zegt S. Plantinga, sinds 1973 archivaris bij het Rijksarchief.

Als een historicus toch toegang wil krijgen tot deze dossiers, zal Plantinga eisen dat een zogeheten onderzoekersverklaring wordt getekend. Hierin staat dat de `persoonlijke levenssfeer' van de nog levende personen ,,niet onevenredig benadeeld'' mag worden. Om te voorkomen dat de privacy van beschreven personen wordt geschaad, moet het manuscript worden voorgelegd aan de rijksarchivaris. ,,Jaarlijks tekenen meer dan tweehonderd onderzoekers zo'n verklaring'', aldus Plantinga.

Ook Nanda van der Zee werd gevraagd de verklaring te ondertekenen, omdat ze toegang wilde tot de archieven van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD).

Ze weigerde, naar eigen zeggen om principiële redenen. Van der Zee legde vervolgens haar werk aan een biografie van prof. L. de Jong neer. ,,Ik zwicht niet voor preventieve censuur'', zei ze in een reactie. Maar volgens haar collega-historici vormt de onderzoekersverklaring geen belemmering. ,,Een formaliteit'', vindt Beel-biograaf L. Giebels.

Archieven die vanuit ministeries en gemeenten worden overgebracht naar de rijksarchiefdienst zijn in principe openbaar, zeker als ze ouder zijn dan dertig jaar. Maar soms zijn er beperkingen, bijvoorbeeld als de privacy of het `belang van de staat' in het geding is. Om toegang tot deze archieven te krijgen, moet de onderzoekersverklaring worden getekend.

Historicus G. Aalders heeft de verklaring ,,misschien wel honderd keer'' getekend. ,,Natuurlijk doe je dat, iedereen doet het. Anders kan je geen onderzoek doen.'' Aalders heeft nooit problemen gehad als hij zijn manuscript voorlegde. ,,Hoogstens vroeg de rijksarchivaris of ik geen initialen in plaats van de volledige naam kon gebruiken. Maar dat gebeurt echt bijna nooit. En ze bemoeien zich al helemaal niet met de interpretatie of de analyse. Het gaat echt om de privacy'', aldus Aalders.

Ook C. Fasseur, biograaf van Wilhelmina, heeft ,,nooit een centje last'' gehad. ,,Je tekent de verklaring en stuurt de passages van je manuscript naar de rijksarchivaris. Daar is bij mij nooit een opmerking over gekomen.''

P. Romijn, tegenwoordig hoofd onderzoek bij het NIOD, schreef over de ambtenarenzuiveringen na de oorlog. ,,Hoogst privacygevoelig, NSB'ers in het overheidsapparaat.'' Hij tekende de verklaring en had geen problemen. Geen van de historici heeft ooit gehoord dat een collega zich `gecensureerd' voelde.

,,Het gebeurt bijna nooit dat iemand over de schreef gaat'', zegt oud-rijksarchivaris F. Ketelaar. Gebeurt dat toch, dan verlangt de rijksarchivaris bijvoorbeeld dat de tekst wordt geanonimiseerd of anders geformuleerd. ,,Maar dat is echt heel sporadisch'', volgens Ketelaar. Hij herinnert zich nog dat het huidige Tweede-Kamerlid P.Rehwinkel werd gecorrigeerd. Wijlen minister Marga Klompé citeert in de archieven toenmalig koningin Juliana, die iets zegt over Luns. Maar Rehwinkel deed het in zijn dissertatie voorkomen als een citaat van Juliana zelf. Hij moest dat verbeteren.

Mocht een onderzoeker het oneens zijn met de correctie van de rijksarchivaris, dan is het mogelijk naar de rechter te stappen. ,,De rijksarchivaris maakt dus geen finale beslissing'', aldus Ketelaar. De rechter beslist wat zwaarder weegt: het belang van openbaarheid of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Maar in de bijna negen jaar (en een kleine tweeduizend onderzoekersverklaringen) dat Ketelaar rijksarchivaris was, stapte niet één historicus naar de rechter om een gewenste aanpassing aan te vechten.

De onderzoekersverklaring draagt juist bij aan de openbaarheid, vinden verschillende historici. Zonder deze drempel zou de overheid sterker geneigd zijn dossiers op het departement te houden. Volgens Ketelaar zijn ministeries nogal eens bang om archieven over te dragen. ,,Dan moet je praten als Brugman om ze toch in het rijksarchief te krijgen. De garantie van de onderzoekersverklaring helpt om de angst te overwinnen.''

Het heft koudwatervrees van ministeries op, constateert Fasseur. Romijn: ,,In Engeland is alles de eerste dertig jaar achter gesloten deuren. En daarna worden nog steeds dossiers achtergehouden waarvan het bestaan niet eens bekend is.''

Het besluit van Van der Zee om haar werk aan de biografie van De Jong neer te leggen wekt dan ook, zacht uitgedrukt, verwondering. Fasseur vindt het ,,merkwaardig''. Aalders zegt dat op die manier geen onderzoek te doen is. Ketelaar noemt de principiële opstelling van Van der Zee ,,een quatschverhaal'', en Giebels vermoedt dat Van der Zee ,,misschien geen zin meer had in de biografie van De Jong''.

,,De toegang tot rijksarchieven is redelijk onbelemmerd'', vindt Aalders. Is in Nederland dan alles openbaar, als er maar getekend wordt?

Nee. De regels gelden slechts voor archieven van de overheid. Op particuliere archieven hebben ze geen betrekking. Daarover hebben nabestaanden of de betreffende organisaties de zeggenschap. Het kan zijn dat een historicus door een verklaring te tekenen toegang krijgt. Het kan ook zijn dat de kasten gesloten blijven. Dossiers van Marga Klompé zijn bijvoorbeeld nog altijd verzegeld. Fasseur: ,,En voor Ruys de Beerenbroeck moet je toestemming vragen aan een honderdjarige achternicht. Dat is vreselijk ingewikkeld.''