Bloem

In het Letterkundig Museum in Den Haag is een tentoonstelling over J.C. Bloem begonnen. Een te kleine tentoonstelling voor z'n groot dichter. Een gangetje met wat persoonlijke documenten en foto's, dat is het eigenlijk.

Jammer.

Bloem stond erom bekend dat hij alles wat op zijn persoon betrekking had, zoveel mogelijk vernietigde, maar het moet toch mogelijk zijn wat meer boven water te krijgen dan nu gebeurd is. En anders is er ook nog zoiets als zelfwerkzaamheid: waarom bijvoorbeeld geen fotoserie over de huizen waarin hij geleefd heeft, culminerend in dat prachtige huisje aan het water van Kalenberg waar hij gestorven is? (Wie met vakantie in Nederland blijft, kan ik een bezoek aan dit dorpje in het fraaie noordwesten van Overijssel – bij de Weerribben – aanraden. De bewoners kunnen u zo het huis van Bloem aanwijzen, tenzij u op een van de vele Duitse toeristen stuit die daar huizen hebben gekocht.)

Toch doen de Bloem-liefhebbers er goed aan even bij het Letterkundig Museum langs te gaan, want er zitten wel degelijk enkele krenten in de dunne pap. Eén daarvan was voor mij het zwart-wit interview uit 1962, dat H.A. Gomperts in zijn AVRO-serie `Literaire ontmoetingen' Bloem afnam. Gomperts praat met zijn licht kakkineuze accent (`gevoelj', `srijven'), Bloem reageert bereidwillig, maar behoedzaam.

Bloem praat nogal ontgoocheld over `de onnozele plichten' die hij als ambtenaar had te vervullen. ,,Ik ben eigenlijk altijd ambtenaar geweest, behalve in de zeven jaar dat ik journalist was (...) Het werk vond ik op zichzelf niet zo erg, maar de gebondenheid maakt dat men dingen die men wil doen, niet kán doen. Het belet je belangrijk werk te doen.''

Ook Bloems HBS-periode in Leiden (`Leien' zeggen de heren uiteraard) komt even ter sprake. In de derde klas begon hij voor het eerst met dichten. Uit zijn rapportcijfers in de eerste klas – eveneens ter inzage – valt overigens nog geen belangstelling voor de Nederlandse letteren te destilleren. Voor Nederlands behaalde hij magere zesjes – trouwens ook voor de meeste andere vakken, afgezien van Frans waarvoor ergens een 10 schittert.

Bloem kon ook mooi proza schrijven, al deed hij dat niet zo vaak. Op de tentoonstelling ligt een brief die hij op 6 december 1962 aan zijn vriend Jan Greshoff schreef.

Een citaat: ,,Als men zoo zelden schrijft als wij elkaar heeft men eigenlijk niets meer te zeggen, dat zal ook jou wel zoo gaan. Wat hebben de daagsche dingen nog voor waarde, als men er niet meer aan deelneemt? Maar de vriendschap vermindert daar niet mee en evenmin, wat eigenlijk altijd het kostbaarste van alles is en dat steeds meer wordt: de herinnering. Vooral als men de dood weet naderen. Dat is geen somberheid, maar gewoonweg redelijkheid.''

Vier jaar later was hij dood.