Westen mag Rusland niet kwijtraken

Het bombarderen van burgers kan geen positieve gevolgen hebben; dat weten we, want dat hebben we gedaan.'' Deze pacifistische reactie is niet afkomstig van een Amerikaanse Vietnamveteraan maar van een Russische democraat van nog geen veertig jaar oud. Na Afghanistan en Tsjetsjenië is hij de oorlog beu – alle oorlogen, ook de `rechtvaardige'.

Een week geleden heb ik in de omgeving van Moskou, op de jaarlijkse conferentie van de Hogeschool voor Politieke Wetenschappen van Moskou, het NAVO-optreden in Kosovo verdedigd voor een groep nationale en regionale parlementsleden die het gehele politieke spectrum in Rusland vertegenwoordigden, van de communisten tot extreem-rechts. Zij verzetten zich unaniem en emotioneel tegen de westerse interventie in Kosovo, maar deden dat uit sterk uiteenlopende motieven. Ook voor Rusland weerspiegelt de oorlog in Kosovo het zoeken naar een identiteit, het streven naar status en invloed, en de moeilijke overgangsperiode van de `abnormale' maar gevreesde, centrale supermogendheid die het eens was, naar een chaotisch en gemarginaliseerd wereldrijk-in-verval dat wanhopig probeert een meer `normaal' land te worden.

De aanwezige tegenstanders van het westerse ingrijpen in Kosovo waren te groeperen in drie categorieën: de felle anti-Amerika- en anti-NAVO-gezinden; de voorstanders van het soevereiniteitsbeginsel; en de pacifisten. In de eerste categorie vielen uiteraard de communisten. Wie hun argumenten hoort, voelt zich twintig jaar jonger. De Sovjet-Unie was niet terug, ze was nooit weg geweest. Getrouw aan de complot-theorie als basis van hun geschiedopvatting, veroordeelden ze de `werkelijke' bedoelingen die de Verenigde Staten met de oorlog in Kosovo hadden, namelijk het voorkomen dat de euro een bedreiging voor de dollar zou worden! Een evident complot, dat zij hadden ontdekt. De selectieve verontwaardiging in het Westen (waarom Kosovo wel en Midden-Afrika of Tsjetsjenië niet?) illustreerde het valse moralisme en het universalisme van de Verenigde Staten. In hun ogen misbruikt Washington zijn huidige superioriteit met absoluut cynisme.

De tweede categorie tegenstanders verdedigen het beginsel van de nationale soevereiniteit. Als lid van de hoogst selecte `Club van Vijf' in de VN-Veiligheidsraad moet Rusland wel negatief reageren op het passeren van de Verenigde Naties en meer in het algemeen tegen de actuele tendensen van het mondiale tijdperk, waarin de nationale soevereiniteit niet langer de ultima ratio van de internationale politiek is. Het humane maar vage en dubbelzinnige begrip `menselijke veiligheid' dat de Canadese regering propageert kan de Russen geenszins bekoren. Om de nationale soevereiniteit terzijde te schuiven in naam van een universalistische visie op de rechten van de mens moet men beschikken over een welvarende economie, een onbetwiste identiteit en een stabiel democratisch pluralisme, kortom, over een kalm politiek klimaat. Ook een met succes afgesloten tragisch, recent verleden is een onmiskenbaar pluspunt. Alleen het `Westen', en dan vooral West-Europa voldoet aan deze criteria.

De Russen zijn te onzeker van zichzelf, van hun politieke, economische en sociale toekomst, van hun internationale status, en zelfs van hun eigen geografie om vraagtekens te zetten bij het principe van de nationale soevereiniteit of het klassieke model van het machtsevenwicht. Zij zijn nog niet klaar voor het mondiale tijdperk. Ondanks zijn geografische ligging staat Rusland in deze kwesties veel dichter bij India, China en de meeste landen op het Zuidelijk Halfrond met hun nog `jonge' nationalisme. Het onderscheid dat NAVO-lidstaten soms maken tussen legitimiteit en legaliteit komt hun dwingerig en kunstmatig voor. De Russen zijn niet dol op Miloševic en hun besef van Slavische, orthodoxe solidariteit moet niet worden overdreven, maar wat zij niet kunnen accepteren is dat ze vrijwel geheel worden uitgesloten van een groot drama dat in hun werelddeel, Europa, plaatsvindt.

De derde categorie tegenstanders, voornamelijk afkomstig uit het meest democratische segment van de Doema, hanteerde vooral pacifistische argumenten, ingegeven door de recente ervaringen in Afghanistan en Tsjetsjenië. Het gebruik van massaal geweld tegen een samenleving vernietigt de sociale samenhang en werkt het ontstaan van een criminele staat in de hand; de legitimiteit van de doelstellingen rechtvaardigt niet de bruutheid van de middelen. Dit argument is niet zomaar van de hand te wijzen of te negeren, maar verdient een serieus debat.

Voor Rusland is Kosovo tegelijkertijd een spiegel en een dilemma. Het weerspiegelt de eigen ingezakte internationale status. Willen de Russen Europeanen zijn, dan moeten ze de morele en sociale waarden van `hun' continent aanvaarden en openlijk huldigen.

Europa is een gebied waar etnische zuiveringen onaanvaardbaar zijn, waar mensen niet mogen worden gedood of verdreven louter om wat of wie ze zijn. Door zich uit te spreken over Kosovo, kiezen ze zich ook een eigen identiteit.

Gegeven ons eigen tragische verleden mogen wij ons echter geen morele superioriteit aanmatigen. Het besluit van het oorlogstribunaal in Den Haag om Miloševic en vier van zijn naaste medewerkers aan te klagen versterkt de morele legitimiteit van het NAVO-ingrijpen, maar onderstreept tegelijk het tekort van een strategie die uitsluitend op luchtbombardementen berust. Hoe kunnen we morele pretenties rechtvaardigen met een casus belli waarvoor we, gezien ons handelen, wel bereid zijn te doden maar niet bereid zijn te sterven?

De eerste secretaris-generaal van de NAVO, Lord Ismay, vatte de oorspronkelijke doelstellingen van het Bondgenootschap samen in de beroemde formule: ,,De Amerikanen erin, de Sovjets eruit en de Duitsers eronder houden''. De drie voornaamste doelstellingen in Kosovo zijn thans: de vluchtelingen terug-, Miloševic neer- en de Russen erbij halen – dat wil zeggen bij Europa. Dat is geen onmogelijke opgave.

Het debat met de Doemaleden over Kosovo verliep heel moeilijk, maar er was een debat en de gehanteerde argumenten weerspiegelden een verrassende diversiteit achter de schijn van monolitische verontwaardiging. Het is nog te vroeg om te zeggen dat we Rusland `kwijt zijn'. We kunnen nog steeds `winnen' in Kosovo zonder Rusland te verliezen.

Dominique Moïsi is adjunct-directeur van het IFRI, het Frans Instituut voor Internationale Betrekkingen, en hoofdredacteur van Politique Etrangère.