Harde woorden van ECB verwacht over de zachte euro

Terwijl de euro wegzakt vergadert morgen de Europese Centrale Bank. De bankiers zullen dan hun antwoord moeten bepalen op de geschonden belofte rond de Europese munt.

Vijf maanden na zijn introductie zakt de trots van het nieuwe Europa, de euro, steeds verder weg in de modder. Twaalf procent is de euro al gekelderd sinds januari tot 1,0419 dollar per euro vanmorgen. De valutamarkt ruikt aan de grens van een dollar per euro, waarbij de munt met nog eens vier procent kan verzwakken.

Is een zwakke euro erg? Op het eerste gezicht niet. De export profiteert, ook de inkomsten van Nederlandse ondernemingen in dollargebieden komen hoger uit. Beursreuzen als Ahold of Aegon halen nu al ruim de helft van hun omzet in dergelijke gebieden, met name de VS. Het resultaat is terug te zien op de effectenbeurs: de AEX-index is extreem `dollargevoelig' en een lage euro – lees: een hoge dollar – is doorgaans een flinke steun voor het Damrak.

Maar zo mooi als het lijkt is het niet. De handelsnatie Nederland exporteert voornamelijk naar zijn naaste buren, die sinds januari dezelfde munt, de euro, hanteren. Het handelsoverschot dat sinds begin jaren tachtig is opgebouwd komt daar vandaan. Tegelijkertijd heeft Nederland een gapend handelstekort van meer dan vijf procent van het bruto binnenlands product met de landen die geen deel uitmaken van het eurogebied. Nederland is letterlijk de invoerpoort naar Europa, en de uitvoer naar niet-eurolanden is daarmee vergeleken bescheiden. Daar komt bij dat de hogere prijzen van invoerproducten, waaronder bijvoorbeeld olie waarvan de prijs in dollars luidt, een prijsopdrijvend effect heeft voor de binnenlandse economie. Met een inflatie van ruim 2 procent is Nederland op dit moment toch al een van de hoge-inflatielanden in het eurogebied.

En waarom noteert de euro eigenlijk zo laag? Een belangrijke verklaring is dat de Europese economie als geheel zwaar onderpresteert vergeleken met die van de Verenigde Staten.

Met name Duitsland en Italië, waarvan de economie dit jaar wordt verwacht met een magere anderhalf procent te groeien, werken als een rem op het totale eurogebied waarvan zij samen ruim de helft uitmaken.

Dat heeft de koers van de euro al flink gedrukt, maar de jongste verzwakking van de munt heeft een verontrustender reden: vorige week stonden de Europese ministers van Financiën Italië toe om zijn begrotingsdoel voor dit jaar ruim te overschrijden. En dat werd op de valutamarkt gezien als een eerste scheur in de harde Europese begrotingsafspraken die van de euro een even harde munt hadden moeten maken.

Voor de korte termijn is de zwakke euro niet zo'n probleem: de euro, de yen, de dollar en tal van andere munten hebben vrije zwevende koersen tegenover elkaar en de onderlinge fluctuaties kunnen af en toe wat doorschieten. Zo werkt de valutamarkt nu eenmaal. Maar vertrouwensverlies in de euro is voor de lange termijn wel schadelijk.

De jongste renteverlaging die de ECB in april doorvoerde, van 3 naar 2,5 procent, werd door de bankiers gepresenteerd als een gebaar van goede wil naar de Europese politiek. Die had aangedrongen op een lagere rente, maar moest er in de ogen van de ECB wel iets voor terugdoen: zorgen dat de begrotingsdiscipline werd nageleefd. Met de inschikkelijkheid voor Italië van vorige week, en het feit dat de andere grote euro-landen ook niet opschieten met hun tekortreductie dit jaar, is deze informele afspraak tussen de centrale bankiers en de ministers van financiën nu geschonden.

En zo wordt het vraag wat de ECB gaat doen. Een te expansief begrotingsbeleid van de euro-landen kan in Frankfurt worden opgevat als potentieel bedreigend voor de prijsstabiliteit. En ook een blijvende verzwakking van de euro kan worden aangegrepen als inflatoir. Met zulke `objectieve' argumenten voor handen, zal het niet verbazen als ECB-president Duisenberg de mogelijkheid tot het opschroeven van de rente ter sprake brengt. Al was het maar om de euro-landen te laten zien dat de ECB, de hoedster van de euro, tanden heeft.