Europarlement, machtiger maar niet geliefder

Het Europees parlement, dat volgende week opnieuw gekozen wordt, kampt met een paradox: terwijl het steeds meer te zeggen krijgt over het leven van Europese burgers, neemt de belangstelling van die burgers voor de Europese verkiezingen af.

Debatten in het Europees Parlement leveren zelden vuurwerk op. Woordspelingen gaan verloren in simultaanvertalingen in elf talen; de langdurige besluitvormingsprocedures ogen saai en ondoorzichtig. Daardoor kunnen plenaire zittingen van het parlement op het eerste gezicht wereldvreemd lijken. Europarlementariërs trekken meestal minder aandacht dan hun collega's in nationale parlementen. Toch heeft het Europees Parlement op een hele reeks gebieden meer te vertellen dan die nationale parlementen.

Europarlementariërs houden hun hart vast over de opkomst bij de Europese verkiezingen, die in Nederland op 10 juni worden gehouden en in de meeste andere lidstaten van de Europese Unie op zondag 13 juni. Want tegelijk met het toenemen van de bevoegdheden van het Europees Parlement, is de belangstelling van de Europese kiezers afgenomen. Het wil maar slecht doordringen dat het in Brussel en Straatsburg gevestigde parlement besluiten kan nemen die iedere Europese burger aangaan, of het nu gaat om de bescherming van de consument tegen besmet rundvlees (BSE), of het milieuvriendelijker maken van auto's. Vergeleken met de bevoegdheden van het Europees Parlement, schreef de Financial Times onlangs, verbleekt het Britse Lagerhuis – ondanks het verbale spektakel daar – tot stempelmachine. Met de Nationale Assemblee in Parijs is het niet anders.

Ooit mocht het uit 1957 stammende Europees Parlement alleen maar adviezen geven. Tegenwoordig heeft het echter grote zeggenschap bij de totstandkoming van veel Europese wetgeving. In de Europese Unie gaat Europese boven nationale wetgeving. Vandaar dat het Europees Parlement over zaken op uiteenlopende gebieden als bijvoorbeeld milieu, cultuur, vervoer, technologisch onderzoek of milieu samen met de Raad van Ministers van de Europese Unie tot wetgeving kan besluiten waaraan de Nederlandse regering vervolgens de nationale wetten moet aanpassen. De Tweede Kamer in Den Haag kan daaraan niets veranderen.

Sinds het Verdrag van Maastricht in 1992 van kracht werd heeft het Europees Parlement op vijftien terreinen evenveel zeggenschap over de Europese wetgeving als de Raad van Ministers, die de vijftien lidstaten van de Europese Unie vertegenwoordigt (de `codecisie'). Sinds 1 mei zijn met het van kracht worden van het Verdrag van Amsterdam hier nog 38 gebieden bijgekomen.

De `codecisie' is maar ten dele vergelijkbaar met het meebeslissen over wetgeving van de Tweede Kamer en andere nationale parlementen van EU-lidstaten. De procedure begint met een voorstel van de Europese Commissie. Het Europees Parlement geeft de Raad van Ministers vervolgens een advies. Als de ministers het met het parlement eens zijn, kunnen ze het voorstel met een gekwalificeerde meerderheid aanvaarden. De ministers kunnen ook het voorstel in een gewijzigde vorm opnieuw aan het parlement voorleggen. Als het parlement en de Raad van Ministers het vervolgens niet eens worden, moet er een bemiddelingscommissie komen.

Zo'n commissie, die nationale parlementen niet kennen, bestaat uit vijftien parlementariërs en vertegenwoordigers van de vijftien lidstaten. Binnen die commissie moet binnen zes weken een compromis gevonden worden. Lukt dit niet, dan wordt het voorstel niet aangenomen. Bereiken de Europarlementariërs en de vertegenwoordigers van de EU-lidstaten wel een akkoord, dan moeten Europees Parlement en Raad van Ministers dit goedkeuren.

Een ander belangrijk machtsmiddel van het Europees Parlement is het vaststellen van de EU-begroting. Achteraf moet het parlement ook goedkeuring verlenen voor de wijze waarop de begroting is uitgevoerd. Is het parlement het niet eens met de manier waarop de Europese Commissie met het geld is omgegaan, dan kan het weigeren om kwijting te verlenen. Het was onder meer deze weigering die dit voorjaar leidde tot de val van de gehele Europese Commissie.

Het Europees Parlement kan verder enquêtecommissies instellen voor onderzoek naar het werk van de Europese Commissie, de Raad van Ministers en de Europese Raad (de regeringsleiders). Bij de benoeming van een nieuwe Europese Commissie is de instemming van het parlement vereist. Het Europees Parlement kan geen individuele Eurocommissarissen naar huis sturen, maar heeft de keus om de hele Commissie tot opstappen te dwingen of iedereen te laten zitten. Nog nooit heeft het parlement met een motie van wantrouwen een Europese Commissie naar huis gestuurd. Toen de nu demissionaire Europese Commissie in maart opstapte, gebeurde dat voordat het parlement zo'n motie in stemming kon brengen.

Op een aantal vlakken blijven de bevoegdheden van het Europees Parlement duidelijk achter bij die van Den Haag. Het eerste kan zelf geen initiatieven voor wetgeving nemen, in tegenstelling tot de Tweede Kamer. Het kan wel de Europese Commissie verzoeken om voorstel te maken voor een richtlijn. Op een aantal terreinen - zoals het vaststellen van de landbouwprijzen - mag het Europees Parlement alleen een advies uitbrengen aan de Raad van Ministers. Op die manier kunnen de Europarlementariërs proberen om de ministers van Landbouw te beïnvloeden voordat zij een definitief besluit nemen.

Bij wetgeving over de belangrijke Economische en Monetaire Unie is de rol van het Europees Parlement beperkt tot de zogenaamde samenwerkingsprocedure. Die houdt in dat het parlement een advies geeft over een voorstel van de Europese Commissie. Daarna wordt het voorstel behandeld door de Raad van Ministers. De ministers hoeven geen rekening te houden met de mening van het parlement. Maar in zo'n geval kan het Europees Parlement het voorstel bij een tweede behandeling verwerpen. De Raad van Ministers kan de zaak dan alleen met eenstemmigheid doordrijven.

Een ander belangrijk verschil tussen het Europees Parlement en nationale parlementen is dat er terreinen zijn waarop Europarlementariërs niets te zeggen hebben. Dat betreft onder andere het buitenlandse en het veiligheidsbeleid van de EU. Toch debatteren Europarlementariërs graag en veel over internationale politiek en defensie. Ze menen dat een uitspraak over een oorlog als in Kosovo gewicht in de schaal legt, omdat die van het Europees Parlement afkomstig is.