Boksgala

Toen ik in de jaren zestig in Groningen kwam te wonen, werd ik een poosje een regelmatig bezoeker van boksgala's. De sport op zichzelf kon me minder bekoren dan de sfeer eromheen – die vond ik fascinerend.

Er was zoiets als de esthetiek van de boksring: het gelige lichtschijnsel op de glimmende lijven, de fleurige badjassen en handdoeken, de nerveuze verzorgers met hun emmertjes en sterk ruikende zalfjes. En daaromheen het rauwe, bezienswaardige volk van pooiers, patsers en prostituees.

Toch besloot ik op een dag niet meer te gaan. Er was namelijk in sportief opzicht altijd wel iets aan de hand met die gala's. De tegenstanders van de Nederlanders kwamen óf niet opdagen, óf ze bleken in de ring opeens verlamd door een onbekend virus, en er was ook het fenomeen van de onverklaarbare, plotselinge knock-out. Zo zag ik op mijn laatste boksgala – een jaar of twintig geleden – de grote favoriet Rudy Koopmans binnen enkele minuten bezwijken onder een stoot die er had uitgezien als een niet onvriendelijke aai.

Net als bij wielrennen is er bij boksen voor de bezoeker vooral één brandende vraag: in hoeverre word ik verneukt?

Gisteren werd in de Beurs van Berlage in Amsterdam een boksgala georganiseerd, en het bloed kroop weer eens waar het beter niet kon gaan. In de rij bij de kassa zag ik een bekend gezicht: Rudy Koopmans. Hij was weer helemaal opgeknapt. Zijn aanwezigheid had een symbolische waarschuwing voor me behoren te zijn, maar wie luistert er nu naar symbolische waarschuwingen?

De aard van het publiek verbaasde me. Opvallend weinig penose. Aan de tafeltjes met de champagnekoelers en de bladen pils wél veel yuppen die wanhopig hun dagelijkse portie verveling probeerden te verdrijven.

We moesten ons door een rijstebrijberg van matige partijtjes heenwerken om het hoogtepunt van de avond te bereiken: de profpartij tussen de Nederlander Raymond `Hallelujah' Joval en de Roemeen Mihai Iftode. Er was één knock-out bij waarvan een bokstrainer naast me laconiek zei: ,,Flauwe kul. Ik heb geen stoot gezien.''

In de pauze bereikte me het gerucht dat de hoofdpartij helemaal niet door zou gaan. IJlings impresario Fred Cohen aangeschoten. Nee toch? Ja toch! Die Roemeen was al twee dagen geleden afgevallen. Er zou nu een Amerikaan komen, ene Clark, en die had inderdaad in Montreal het vliegtuig genomen, maar nou was-ie in Londen uitgestapt en had-ie vergeten naar Schiphol door te reizen, ze hadden 'm nog met faxen proberen te bereiken, maar het scheen dat die Clark nu nog steeds door Londen zwalkte op zoek naar een ring met de Nederlander Raymond `Hallelujah' Joval erin.

Pas tegen elven maakte Cohen dit sombere nieuws ook aan het publiek bekend. De yuppen incasseerden het met gelatenheid. In Groningen zou Cohen destijds de zaal niet meer levend verlaten hebben.