`Joden wisten 500 tot 800 miljoen te redden'

Het totale joodse vermogen bedroeg in Nederland voor de oorlog 1,75 miljard gulden. Daarvan wisten de joden 500 tot 800 miljoen in veiligheid te brengen, zegt onderzoeker Helen Junz.

Nederlandse joden hebben in de Tweede Wereldoorlog ongeveer 500 tot 800 miljoen gulden (waarde van voor de oorlog) uit handen van de nazi's gehouden. Een groot deel van dit vluchtkapitaal (zoals banktegoeden en effecten) is waarschijnlijk terechtgekomen in de VS.

Dit zegt de Brits-Amerikaanse econoom dr. Helen B. Junz, die onder meer bij de Wereldbank heeft gewerkt en economisch adviseur van het Witte Huis is geweest. Zij legt de laatste hand aan een nog vertrouwelijk rapport over het vooroorlogse vermogen van de Europese joden. Het rapport is een belangrijke bouwsteen voor de commissie-Volcker, die onderzoek doet naar `slapende rekeningen' bij Zwitserse banken. Met een berekening van het totale vermogen en van het vermogen dat door de nazi's is geroofd kan Volcker een schatting maken van de hoeveelheid joods vluchtkapitaal in Zwitserland. Voor haar rapport, dat in juli wordt overhandigd aan de Amerikaanse oud-bankier Volcker, heeft Junz meer dan twee jaar naspeuringen gedaan in Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Polen, Hongarije en in mindere mate in Roemenië, België, Tsjechië en Slowakije. ,,We hebben macro-economisch onderzoek gedaan naar de financiële mogelijkheden die de joden onder het nazi-regime hadden om hun geld naar buiten te brengen'', zegt Junz, die in alle onderzochte landen enkele medewerkers heeft. ,,Het is een eindeloze speurtocht naar stukjes van de legpuzzel, die nooit het volledige beeld zal opleveren.''

Bij het vinden van de puzzelstukjes in Nederland hebben de officiële instanties ,,ongelooflijk goed geholpen'', vindt Junz, die lang geleden in Nederland heeft gewoond en de taal nog goed spreekt. ,,We hebben in alle landen toegang gekregen tot de archieven, maar nergens was de medewerking zo groot. Minister Zalm (Financiën) heeft ons persoonlijk toegang verschaft tot de belastingdienst.''

De dossiers van de belastingdienst zijn in Nederland naast de sociaal-demografische gegevens over de bevolking de belangrijkste bron geweest voor Junz. ,,We hebben veel gehad aan de aangiften voor de inkomsten- en de vermogensbelasting, maar vooral aan de memories van successie, de belasting die is betaald over erfenissen. Daaruit konden we afleiden hoeveel joden tot de hoogste belastinggroep behoorden en wie het meest konden sparen.''

De bevindingen werden getoetst door steekproefsgewijs enkele representatieve individuele gevallen uit te spitten en door een vergelijking met ,,de zeer gedetailleerde opstelling over het vermogen van joden die is gemaakt voor de Joodsche Raad''. Ook werd gekeken in hoeverre het vermogen van de joden afweek van dat van de rest van de bevolking. ,,Gemiddeld genomen was het bezit van de joden iets hoger dan dat van de rest van de bevolking'', ontdekte Junz. ,,Als we dat niet hadden kunnen verklaren, waren onze cijfers misschien verkeerd geweest, maar de verschillen waren in alle gevallen toe te schrijven aan urbanisatie'', meent Junz. De meeste joden woonden in de stad en daar leefden gemiddeld genomen rijkere mensen dan op het platteland. ,,De grote uitzondering was Amsterdam. Het ging toen heel slecht in de diamantindustrie, waardoor er veel erg arme mensen waren.''

Door de toets voelt Junz zich tamelijk zeker over haar rekensom dat het totale joodse vermogen voor de oorlog 1,75 miljard gulden bedroeg (in guldens van destijds): ,,Het kan 1,7 of 1,8 miljard zijn, ik strijd niet over 100 of 200 miljoen gulden, maar 1,75 miljard is niet onrealistisch.'' De Nederlandse historicus Aalders, die een voorlopige versie van Junz' rapport heeft gezien, noemt in zijn net verscheen boek Roof een bedrag van 2 miljard gulden. ,,Dat behoeft enige nuancering'', zegt Junz. ,,In dat bedrag zit ook een kwart miljard gulden van de ongeveer 22.500 joodse vluchtelingen in Nederland.''

De door de nazi's geroofde hoeveelheid joodse bezittingen schat Junz op 1 tot 1,2 miljard gulden. Ze ontleent de cijfers aan het standaardwerk van De Jong over de Tweede Wereldoorlog en aan berekeningen van diens naaste medewerker Van der Leeuw, en heeft deze gegevens gecontroleerd. Daarmee komt het bedrag dat Nederlandse joden buiten bereik van de nazi's hebben weten te houden op 500 tot 800 miljoen gulden aan zaken als banktegoeden en effecten.

Omdat in Nederland weinig uit handen van de Duitse bezetter bleef – joden werden zelfs van zilveren theelepels beroofd – is het waarschijnlijk dat de bezittingen over de grens in veiligheid zijn gebracht. Mogelijk in Zwitserland, het land waar de banken sinds enkele jaren onder vuur liggen van joodse organisaties omdat zij in veiligheid gebrachte tegoeden onder zich zouden houden. Junz heeft echter ,,aanwijzingen'' dat voor de joden in Nederland de Verenigde Staten de belangrijkste safe haven zijn geweest, in ieder geval ,,belangrijker dan Zwitserland''. Volgens Junz ligt dat ook wel voor de hand. ,,Waarom zouden de joden hun bezittingen naar Zwitserland brengen, een land dat mogelijk ook bezet zou worden door Duitsland? Bovendien zijn er al lang goede contacten tussen Nederland en de VS, waar Nederlandse ondernemingen voor de oorlog al grote investeerders waren.''