Geen vent

Ha, een historica! Fier stond mijn vakgenote met haar vrouwelijke uitgang in de kranten: Nanda van der Zee, historica. Zij had problemen met een gelofte van discretie die de archiefwet – althans, Oorlogsdocumentatie – van haar eiste. Je voelde op je klompen dat er iemand zeurde, al zou ik niet durven zeggen, wie: alleen dat woord `historica' sprong in het oog. Geen kus maar ka, zoals het hoort.

Misschien hebben we het ergste nu wel achter de rug van het schimmenspel. Het schimmenspel dat behelst dat we allemaal doen alsof het niet uitmaakt of iemand een vrouw is of een man, als het over zijn (jaja, of haar) `functie' gaat. En by the by, dat secretaresse een héél minderwaardig beroep is, want dat is altijd het eerste voorbeeld waarmee ze aankomen als je voorstelt om vrouwen die een beroep hebben, ook met een vrouwelijke beroepsnaam aan te duiden. God wat een probleem, dan zou iemand met een hoogeplaatste bestuursfunctie – secretaris – per ongeluk even kunnen worden aangezien voor de mevrouw die de brieven typt!

Dames en heren – (of hebt u soms liever dat ik gewoon zeg: heren?) de vraag of iemand een man of een vrouw is, is altijd relevant. Het is het eerste dat we aan een medemens zien.

Weinig faux-pas zijn pijnlijker in de omgang dan je te vergissen in iemands sekse. Zelf heb ik er, geloof ik, iets minder dan gemiddeld kijk op; in ieder geval is het mij meermalen overkomen. Een paar maanden geleden nog, in een Belgisch speelgoedwinkeltje waar de wacht werd gehouden door een grijsharig wezen met een doorgerookte stem. Bij het verlaten van de winkel zei ik luid en beleefd `Dag mevrouw!'. Buiten slaakte mijn familie ontzette kreten. Had ik dan niet gezien dat dat een meneer was? Nee, helaas.

Korte tijd later stond in de rubriek `Correcties & Aanvullingen' in deze krant een opvallend berichtje. Er was de dag tevoren iets misgegaan met de sekse van een aangehaalde persoon: de voorzitter van het Overijssels Particulier Grondbezit, eigenaar tevens van een indrukwekkende lap grond, was aangeduid als `hij'. Echter, zo werd nu trouwhartig verbeterd, X. is een vrouw.

Hihi. Het bloed kroop waar het niet gaan kon; een zegsvrouw was volgens de moderne regels in quasi-neutrale mannengedaante opgevoerd, maar vervolgens was er iets ter redactie gebeurd (denk ik) waardoor het noodlottige `hij' werd ingevoegd waar `zij' moest staan – en toen kwam iemand in opstand. Zij, denk ik. Ik ben toch verdomme geen vent, dacht zij, net als de Franse ministers die vorig jaar het recht opeisten om `la ministre' te worden genoemd.

Het fundamentele probleem, waar het wankele scheepje van de taal-emancipatie uiteindelijk op moet stranden, is dat mensen willen worden herkend als man of vrouw. Gebeurt dat niet, dan ben je bij wijze van spreken niet gezien. Niet herkend als soortgenoot, maar hooguit als vaag levend wezen, zoiets als een hond of een kat. Dat steekt.

Curieus genoeg zijn sommige functies niet aangetast door de verbloeming. Schrijfsters zijn meestal nog schrijfsters, de koningin is gewoon koningin. Timmervrouw zeggen wordt leuk gevonden. Maar de doctoranda's zijn uitgestorven met dra. M.G. Schenk, en ondanks het voortbestaan van de lerares heeft zich nog geen enkele hooglerares gemeld. Terwijl het, gezien hun idioot kleine aantal in Nederland, een eretitel zou moeten zijn!

Je verandert de werkelijkheid niet door de taal te veranderen, zomin als je iemand mooier kunt maken door zijn spiegel te versieren. En dat woordje zijn in de vorige zin, dat mag ook best blijven: wie is er nou zo stom om niet te begrijpen dat daarmee ook haar kon zijn bedoeld? Dat het leven soms onrechtvaardig is, is geen reden om raar te gaan praten, en aldoor te zijn-of-haren. Verbeter de wereld, begin niet bij de taal. En wat betreft die functie-aanduidingen, daarmee is het al heel simpel: is een vrouw arts of pedel, dan noem je haar zo. Niets aan te doen. Maar is zij voorzitster of advocate, noem haar dan ook zo. Zij is mans genoeg om als vrouw door de wereld te gaan.