Engeland

Het is een warme meiavond. Ik sta in de trein naast twee banken met vier slapende forensen, moegewerkt na een dag vergaderen, typen, verkopen, weet ik veel. De oudste, een man in een tweed jasje, slaapt als een stoptrein, met korte rukjes, rechtop als een soldaat. Een matrone in het blauw dommelt, maar de angst dat haar diep slapende buurman in zijn mooie maatpak haar zal aanraken houdt haar dicht onder de oppervlakte. Daartegenover slaapt een knappe vrouw van in de dertig, en in haar ontspanning trekt er iets pijnlijks over haar gezicht. Buiten glijden hagen en heuvels voorbij. Zo slapen ze alle vier, samen, in een kwartier van totale onschuld, totdat de trein afremt en ze zich binnen een seconde hervinden tot de vreemden die ze voor elkaar zijn.

Nergens is Europa zo buitenlands als in Engeland, maar nooit was dat gevoel van eigenzinnige saamhorigheid zo sterk als in de zomer van 1940. Na eeuwen verwachtte men opnieuw een Armada vanaf het vasteland, nu een Duitse. Wegwijzers en straatnamen werden weggehaald. De nieuwslezers van de BBC noemden hun eigen naam om eventuele vervalste BBC-berichten te voorkomen. Alles was verdacht. Toen een RAF-piloot hier in de buurt een noodlanding moest maken, werd hij direct onder schot gehouden door een `redelijk bejaarde verpleegster' die met een speelgoedgeweer over een heg geklommen was en die `het wapen op de meest schrikwekkende manier op hem richtte'. Zo stond Engeland alleen, terwijl de Engelsen samen sliepen en waakten in de schuilkelders, en even hun vervreemding lieten voor wat het was.