ZWARTE TOP

Amerikaanse topuniversiteiten geven bij de selectie zwarte studenten een voorkeursbehandeling. Een onderzoek onder 45.000 afgestudeerden geeft hun gelijk.

IN 1995 BESLOOT de Universiteit van Californië dat `ras' voortaan geen rol meer mocht spelen in de toelatingsprocedures van deze staatsinstelling, een besluit dat een jaar later door de kiezers in Californië werd bekrachtigd. Gevolg: de Boalt Hall Law School in Berkeley, waar sinds de jaren zeventig als gevolg van gericht beleid om minderheden binnen boord te halen gemiddeld zo'n 28 zwarte studenten door de (zware) selectie kwamen, nam er in 1997 nog maar één aan.

Ook elders in Amerika ligt positieve discriminatie in het hoger onderwijs onder vuur. Zo verklaarde een hof van beroep in 1996 de toelatingsprocedure van de law school in Austin van de University of Texas `ongrondwettig' – de Hopwood case. Ook in andere staten zijn rechtszaken aangespannen om de bevoordeling van niet-blanke studenten in de selectieprocedures ongedaan te maken. Die zou het niveau van het academisch onderwijs alleen maar schade toebrengen, ondermaatse studenten stigmatiseren die bezwijken onder de last van het moeten presteren en de bestaande tegenstellingen tussen blank en zwart eerder verscherpen idan wegnemen.

Het zijn deze argumenten die worden aangevallen in de baanbrekende studie The Shape of the River: Long-Term Consequences of Considering Race in College and University Admissions. Auteurs zijn William Bowen en Derek Bok, voormalig president van respectievelijk Princeton University en Harvard University, twee topuniversiteiten die ruime ervaring hebben met het onderwerp. Hun analyse is gebaseerd op de ervaringen van 45.000 studenten die in 1976 en 1989 door de selectie kwamen van 28 zeer gewilde universiteiten en colleges, variërend van Yale en Stanford tot Williams College en Columbia University. De gegevens, die betrekking hebben op de studie én de navolgende maatschappelijke carrière, zijn in de periode 1995-97 verzameld door de Mellon Foundation. Niet eerder is zo'n groot databestand benut om de effecten van positieve discriminatie langs statistische weg te evalueren. Overigens is op driekwart van de Amerikaanse opleidingen geen sprake van overaanmelding zodat het probleem daar veel minder speelt.

De titel van The Shape of the River verwijst naar de enigszins geheimzinnige totaalkennis van loodsen die varen over de bochtige Mississippi, onsterfelijk gemaakt in Mark Twains Life on the Mississippi (1883). De studie plaatst positieve discriminatie van met name zwarte studenten in een bredere maatschappelijke context: de toelatingsprocedure is niet meer dan een `bocht', waar het om gaat is de vorm van de `rivier' als geheel. Om die reden kijken Bowen en Bok niet alleen naar academische prestaties, maar ook naar de interactie tussen blank en zwart op de elitescholen, de doorstroom naar graduate schools, werkervaring en maatschappelijke activiteiten.

MEESTE PROFIJT

De vraag welke studenten het `verdienen' te worden toegelaten kan, aldus de auteurs, niet los worden gezien van de bredere doelstellingen die een eliteschool zich stelt. Het gaat er dan om studenten te selecteren die, individueel en als groep, het meeste profijt trekken van wat de opleiding te bieden heeft, het meest bijdragen aan het onderwijsproces, en het geleerde het meest aanwenden tot nut van de maatschappij. Uitgaande van deze criteria is, aldus Bowen en Bok, positieve discriminatie op empirische gronden zeer wel te verdedigen.

Wanneer de factor `ras' niet in de toelatingsprocedure zou zijn betrokken, zo becijferen Bok en Bowen, zou in 1989 het aantal toegelaten zwarte studenten op de meest selectieve universiteiten geen 7,9 procent zijn geweest maar 2,1. Dit betekent niet dat de kans voor een blanke om toegelaten te worden fors omhoog zou zijn gegaan: omdat zij met zoveel meer zijn zou dit getal bescheiden zijn gestegen van 25 naar 26,5 procent. Bowen en Bok trekken de vergelijking met de – vaak onbenutte – speciale parkeerplaatsen voor invaliden: iedere individuele automobilist denkt dat hij al lang een plekje had weten te bemachtigen als de vermaledijde invaliden niet waren voorgetrokken, maar zodra iedereen de regel aan zijn laars zou lappen, zou blijken hoe weinig soelaas die enkele plaatsen bieden.

In de praktijk is de toelatingskans voor een zwarte student ongeveer driemaal zo groot als voor een blanke. Maar omdat in de procedures ook zaken als `persoonlijkheid', `afkomst' en `atletisch vermogen' meewegen, komt het vaak voor dat (ook) zwarten met extreem hoge testscores toch worden afgewezen. Van de zwarte studenten die in 1989 werden toegelaten haalde 75 procent binnen zes jaar de eindstreep – tegenover 86 procent van de blanke. Reden van de uitval is niet zozeer intellectueel onvermogen, maar heeft veeleer te maken met zaken van financiële en persoonlijke aard. Als groep presteren de blanke studenten beter, waarbij de helft van het verschil is toe te schrijven aan testscores en socio-economische status. Aanpassingsproblemen, het onder druk staan of het kwetsbaar zijn voor negatieve stereotypen zouden, zo schrijven Bowen en Bok, ten grondslag kunnen liggen aan dit academische onderpresteren. Niettemin achten ze het een oplosbaar probleem, verwijzend naar de resultaten die enkele universiteiten op dit vlak hebben geboekt met het opzetten van experimentele programma's.

Van de studenten die in 1976 aankwamen is nagegaan hoe hun verdere carrière is verlopen. Van blank én zwart studeerde 56 procent door. Voor niet-selectieve universiteiten is dit bij zwarte studenten bijna de helft minder. Ze vormen, zo schrijven Bowen en Bok, de ruggengraat van de opkomende zwarte middenklasse en vervullen een belangrijke functie als rolmodel. Gemiddeld hadden ze in 1995 een jaarinkomen van $85.000, 84 procent meer dan het landelijk gemiddelde van de zwarten met BA. Vaker dan hun blanke jaargenoten vervulden ze een leidende positie in extra maatschappelijke activiteiten. De opleiding, zo zeggen ze, is daarbij van cruciaal belang geweest. Ook hechten ze aan de contacten met hun blanke medestudenten. Als er op de selectieve universiteiten al muren tussen de rassen bestonden, zo concluderen Bowen en Bok, dan waren deze in hoge mate poreus. Blank en zwart vinden beide dat een gemêleerde studentenpopulatie hun ontwikkeling ten goede is gekomen.

De hamvraag blijft natuurlijk of de Amerikaanse maatschappij beter af zou zijn geweest als de zwarte studenten niet waren voorgetrokken en capabele blanken hun plaats hadden ingenomen. Die vraag, zo schrijven de auteurs, valt niet aan de hand van een databestand te beantwoorden. Niettemin scharen ze zich achter de bestaande praktijk van positieve discriminatie, met als argument dat de Amerikaanse samenleving niet buiten zwarte hoger opgeleiden van elite-scholen kan. `Eerlijk' is in de visie van veel topuniversiteiten niet dat de slimsten worden opgeleid, maar een groep waar de maatschappij als geheel het meest aan heeft.

William G. Bowen en Derek Bok. The Shape of the River: Long-Term Consequences of Considering Race in College and University Admissions. Princeton University Press 1998 ($24.95)