`Voor grondoorlog 600 soldaten paraat'

De militaire planners van SHAPE, het NAVO-hoofdkwartier in Mons, werken zich dezer dagen een slag in de rondte. Afgelopen dinsdag besloten de NAVO-ambassadeurs in Brussel dat KFOR in Macedonië, de strijdmacht die moet gaan toezien op de naleving van een eventueel vredesakkoord in Kosovo, zal worden verdubbeld tot 50.000 man.

Waar die extra militairen vandaan moeten komen, weten de planners van SHAPE nog niet. Pas volgende week zal worden begonnen met `force generating' – het geharrewar over de vraag welke bijdrage de verschillende NAVO-partners moeten gaan leveren.

Vorige week vrijdag nam de Nederlandse ministerraad alvast een voorschot op een eventuele bestelling van de NAVO. Dertien `vuurmonden' van de 11e afdeling Rijdende Artillerie worden `geprepositioneerd', zo schreef de regering in een brief aan de Kamer. Vijf kanonnen en 120 man van de 11e afdeling maakten al deel uit van KFOR. De komende weken zal de rest van het materieel (maar niet de manschappen) van de afdeling naar Macedonië gaan.

Op de vraag of Nederland nog meer zal bijdragen aan KFOR willen de woordvoerders van het ministerie van Defensie nog niet vooruit lopen. Eén ding is echter zeker: Nederland heeft nauwelijks grondtroepen om in te zetten.

Onderzoeker Rob de Wijk van het Instituut Clingendael komt na lang nadenken uit op één bataljon van ongeveer zeshonderd man. ,,Eventueel zou je nog een tweede bataljon bij elkaar kunnen schrapen. Maar dan moet je wel mensen inzetten die net terugkomen van een uitzending. Dat is tegen de regels die zijn afgesproken in de Prioriteitennota van 1993.''

Sinds het einde van de Koude Oorlog in 1989 is er voortdurend bezuinigd op het budget van Defensie. Het grootste deel van die bezuinigingen is afgewenteld op de Koninklijke Landmacht.

De bezuinigingen hebben vooral gevolgen gehad voor de eenheden die de slagkracht van een leger vormen: de (gemechaniseerde) infanterie en de cavalerie (tanks). In 1991 beschikte de landmacht over een compleet legerkorps van 30.000 militairen, dat in tijden van oorlog kon worden uitgebreid tot 90.000 man. Net als in ieder ander leger had tweederde daarvan een ondersteunende functie. Het echte vechten tegen de Russen zou moeten worden opgeknapt door drie divisies infanterie en cavalerie, die waren opgedeeld in 9 brigades van 3.500 man.

Anno 1999 beschikt de landmacht nog over één divisie van drie gemechaniseerde brigades, op papier om en nabij de 10.000 man. Daarnaast beschikt Nederland nog over de luchtmobiele brigade, maar die is licht bewapend. Al met al is dit niet voldoende om de organisatie-structuur van een heel leger overeind te houden. In 1995 is de divisie daarom opgegaan in een Nederlands-Duits legerkorps.

Van de drie brigades van de divisie is slechts een kwart `paraat' en daarmee inzetbaar. De rest is `mobilisabel': het materieel staat klaar in de remise, maar de manschappen zijn reservisten. Voor een groot deel zijn dat ex-dienstplichtigen die alleen kunnen worden opgeroepen als het eigen grondgebied wordt bedreigd.

Op papier bestaat de 13e gemechaniseerde brigade in Oirschot (één van de drie Nederlandse brigades) uit vier bataljons van ongeveer 800 man: twee bataljons pantserinfanterie en twee bataljons tanks. In werkelijkheid beschikt `13 Mechbrig' slechts over twee parate compagnieën infanterie (een half bataljon) en twee eskadrons tanks, samen de sterkte van één bataljon. Daar komt bij dat de landmacht kampt met onderbezetting, door problemen met het werven van beroepssoldaten. ,,De praktijk is dat geen van de drie brigades een compleet inzetbaar bataljon heeft'', zegt onderzoeker Rob de Wijk.

Op dit moment zijn Nederlandse landmachtmilitairen gelegerd in Macedonië, Albanië, Bosnië en Cyprus. De omvangrijkste operatie is de Nederlandse bijdrage aan SFOR in Bosnië. Nederland levert een gemechaniseerd bataljon infanterie en tanks. De Nederlandse bijdrage is een verplichting op lange termijn: een einde aan de SFOR-missie is voorlopig niet in zicht. In de Prioriteitennota van 1993 is vastgelegd dat elke militair slechts één maal per anderhalf jaar kan worden uitgezonden. Dit betekent dat voor elke militair die gedurende een periode van zes maanden in het buitenland gestationeerd is, één militair uitrust en één militair zich voorbereidt op de volgende uitzending. Om een Nederlands bataljon in Bosnië te houden zijn dus drie complete bataljons nodig, een inspanning die de capaciteit van de drie gemechaniseerde brigades eigenlijk te boven gaat. De aflossing in Bosnië werd deze maand gerecruteerd uit militairen van de luchtmobiele brigade. Voordat ze vertrokken moesten die eerst leren hoe je met een pantserwagen om moet gaan.

Op dit moment zijn iets meer dan 1.800 landmachtmilitairen in het buitenland actief. Daarmee zijn de grenzen voor Nederland eigenlijk bereikt. De marine beschikt nog over twee parate bataljons mariniers, maar die kunnen evenmin worden ingezet: één bataljon is door de NAVO aangewezen als strategische reserve voor Bosnië, het andere bataljon levert al 220 militairen voor Albanië.

Mocht het komen tot een grondoffensief, dan zou Nederland minstens een gemechaniseerde brigade van 3.500 man moeten leveren, vindt Clingendael-onderzoeker Rob de Wijk. ,,Dat zou een geloofwaardige bijdrage zijn.''

Minister van Defensie Frank de Grave stelt in de Hoofdlijnennotitie voor het aantal inzetbare eenheden te vergroten. Volgens de onderzoekers van Clingendael gaat dat niet ver genoeg. Zij pleiten voor een ingrijpender reorganisatie van de landmacht waardoor drie verkleinde, maar geheel inzetbare brigades ontstaan.