Referendumdebat

In hun bijdrage aan het referendumdebat verkondigen Hans Lindahl en Bert van Roermund de stelling: `Het referendum doet geen afbreuk aan de representatieve democratie'(NRC Handelsblad 22 mei).

Toegegeven, niet elke vorm van volksraadpleging doet afbreuk aan de representatieve democratie, maar het correctief referendum doet dat nu juist wel. En dáár ging het om!

In een parlementaire democratie als Nederland kent, vertegenwoordigt het parlement de wil van het volk; het heet dan ook de volksvertegenwoordiging. Een correctief referendum brengt achteraf burgers in het geweer tegen wetten die de volksvertegenwoordiging namens hen heeft vastgesteld. Het tast daarom het gezag van het parlement aan, draagt bovendien de mogelijkheid in zich dat burgers tegen burgers worden opgezet en schept tenslotte rechtsonzekerheid. Is eenmaal het principe van het correctief referendum in de grondwet vastgelegd, dan kan het gebeuren – om enkele voorbeelden te noemen – dat huiseigenaren de wettelijke fiscale renteaftrek kwijtraken doordat niet-eigenaren daar met een correctief referendum een eind aan maken, dat bouwheren hun bouwvergunning verliezen doordat bij correctief referendum door malcontente medeburgers het bestemmingsplan waarop de bouwvergunning berust wordt getorpedeerd, dat actiegroepen, na een moordpartij de volksemoties bespelend, het initiatief nemen om bij correctief referendum de wettelijke regeling af te schaffen die de doodstraf onmogelijk maakt. Men kan dit schrikbeeld temperen door in de wettelijke uitwerking van het correctief referendum de drempels zo hoog mogelijk te maken en door talloze wetten van toepassing van het correctief referendum uit te sluiten.

Het is juist, zoals de twee auteurs zeggen, dat in een democratie allerlei vertegenwoordigende instituties werkzaam zijn. Inderdaad wijst de rechter in wezen vonnis uit naam van het Nederlandse volk en controleert de Algemene Rekenkamer de boeken namens ons allemaal.

In een goed opgebouwde democratie ondersteunen vertegenwoordigende instituties elkaar: de rechter toetst de wetten die het parlement heeft vastgesteld en de Rekenkamer controleert de rechtmatigheid en doelmatigheid van de door het parlement vastgestelde begroting. Ook een referendum kan een welkome bijdrage leveren aan de representatieve democratie, mits het deze ondersteunt en niet tegenwerkt.

Dat wil zeggen, op voorwaarde dat het niet achteraf, maar vooraf wordt toegepast, dat het initiatief voor een referendum bij het parlement berust en dat het referendum het parlement geen dictaat oplegt, doch een aanwijzing geeft van de wensen van de bevolking.