ONVRUCHTBAARHEID VERGROOT DE KANS OP PERINATALE STERFTE

Sinds de eerste reageerbuisbevruchting in 1978 zijn talloze kinderen geboren bij paren die het tot dan tegen hun zin zonder kinderen moeten stellen. De klassieke IVF-techniek is in de loop der jaren nog aangevuld met andere methoden, zoals de ICSI-techniek, waarbij één enkele zaadcel met een micropipet in een eicel wordt geïnjecteerd.

Zonder uitzondering zijn deze technieken ingevoerd zonder inzicht in de mogelijke nadelige effecten op langere termijn. Om die reden wordt er achteraf onderzoek gedaan naar complicaties tijdens de zwangerschap, rond de geboorte en in de ontwikkeling van de opgroeiende IVF-kinderen.

Zo gingen onderzoekers in het Engelse graafschap Leicestershire na of er een verband bestaat tussen de sterfte van baby's kort vóór of kort na de geboorte (de perinatale sterfte) en al dan niet behandelde onvruchtbaarheid (The Lancet, 22 mei).

In Leicestershire zijn in de onderzoeksperiode (1990-1994) 60.922 babys geboren. Hiervan stierven er 567 perinataal. Van de 542 betrokken moeders hadden er 53 (9,8 %) voorafgaand aan de zwangerschap vruchtbaarheidsproblemen gehad. In de controlegroep (972 moeders van 983 kinderen) bedroeg dit percentage 3,5. Onvruchtbaarheid vergroot de kans op perinatale sterfte dus bijna driemaal.

Uit een meer gedetailleerde analyse bleek dat die verhoging niet verklaard kon worden uit het feit dat IVF-behandelingen vaker tot de meerlingzwangerschappen leiden. Het maakte zelfs nauwelijks uit of de onvruchtbaarheid was behandeld of niet. De onderzoekers concluderen dat de verhoogde sterfte eerder een gevolg van de onvruchtbaarheid als zodanig is, dan van de toegepaste behandeling. Het is dus niet de IVF die tot hogere sterfte leidt, maar de vruchtbaarheidsproblemen.

Blijkbaar treedt er bij onvruchtbare vrouwen een afwijking op die tijdens een behandeling niet wordt weggenomen. In een redactioneel commentaar wordt de stelling betrokken dat de factoren die de vruchtbaarheid verminderen ook tijdens de zwangerschap een negatieve invloed kunnen hebben. Roken, bekkenontstekingen en blootstelling aan het DES-hormoon of aan bepaalde oplosmiddelen worden zowel met onvruchtbaarheid als met gecompliceerde zwangerschappen in verband gebracht. Ook blootstelling aan bestrijdingsmiddelen, een tekort aan foliumzuur en stress bij de moeder behoeven in dit verband nader onderzoek. Ook sluit het commentaar niet uit dat er bij vrouwen met onvruchtbaarheidsklachten anatomische of fysiologische afwijkingen bestaan of ontstaan, die een ongestoorde zwangerschap in de weg staan. (Huup Dassen)