Onmisbaar gif

Via een wettelijke sluiproute probeerden de fabrikanten Luxa en Denka het giftige bestrijdingsmiddel dichloorvos `onmisbaar' te laten verklaren. Het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen ging akkoord, maar de rechter besliste anders.

HET ZIET ernaar uit dat een aantal zeer milieuschadelijke, ouderwetse bestrijdingsmiddelen na lang touwtrekken eindelijk gaat verdwijnen. Een Europese richtlijn voor milieu-eisen aan bestrijdingsmiddelen dateert al uit 1991. In Nederland werd het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen in 1995 van kracht. Omdat voor veel middelen geen complete milieudossiers bestonden, besloot het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) in Wageningen tot een kanalisatie-operatie: 42 stoffen werden, hoewel ze niet aan de wettelijke milieucriteria voldeden, toegelaten tot 2000. Eind 1997 is het CTB begonnen met de herbeoordeling van deze oude middelen. Vorig jaar kwam het CTB met een voorstel om de toepassing van 36 stoffen te beperken of te beëindigen, van vier stoffen is de toelating inmiddels vervallen. Definitieve besluiten volgen binnen enkele maanden.

Tegelijkertijd wordt gezocht naar oplossingen om een effectief pakket bestrijdingsmiddelen voor de landbouw in stand te houden, voor zover mogelijk binnen de Bestrijdingsmiddelenwet. Men zou bijvoorbeeld bepaalde bestrijdingsmiddelen onmisbaar kunnen verklaren. Volgens artikel 8 van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen kan het CTB de toelating van milieuschadelijke middelen waarvan het gebruik dringend vereist is en waarvoor geen geschikt alternatief bestaat, telkens met twee jaar verlengen.

Maar deze sluiproute is zojuist door de rechter afgesneden. Het `onmisbaar' verklaren van het insectenbestrijdingsmiddel dichloorvos, dat zeer giftig is voor waterorganismen, is strijdig met de wet. Dat heeft de president van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven op 12 mei j.l. bepaald in een rechtszaak die was aangespannen door Stichting Natuur en Milieu en de Zuid-Hollandse Milieufederatie.

Dichloorvos wordt in kassen veel als vergassingsmiddel toegepast. In slootwater rond de kassen komt het in zeer hoge concentraties voor. ``De milieunormen voor oppervlaktewater en regenwater worden regelmatig met een factor duizend tot tienduizend overschreden'', zegt Hans Muilerman van Stichting Natuur en Milieu. ``Het middel verdampt en komt dan via ramen en kieren in de lucht en vervolgens via het regenwater in de sloot terecht.''

Om die reden werd de toelating van dichloorvos in 1996 door het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen ingetrokken. De fabrikanten Luxan in Elst en Denka in Barneveld – de toelatinghouders – tekenden echter beroep aan. Ze wilden dichloorvos `onmisbaar' laten verklaren, en met succes. Het CTB liet dichloorvos weer toe, zij het dan alleen nog op recept van de Plantenziektenkundige Dienst, een nieuw fenomeen in het toelatingsbeleid.

SPOEDPROCEDURE

Op hun beurt tekenden de milieu-organisaties tegen dit toelatingsbesluit beroep aan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Omdat de behandeling van zo'n zaak drie of vier jaar kan duren, vroegen ze tevens een voorlopige voorziening aan – dat is een spoedprocedure, waarbij het rechterlijk college een snelle voorlopige uitspraak doet in afwachting van de definitieve beslissing, de bodemprocedure. Op 12 mei stelde de rechter vast dat een bestrijdingsmiddel altijd aan milieunormen moet worden getoetst. Een onmisbaarheidsverklaring kan dat niet doorkruisen. Het desbetreffende wetsartikel over onmisbare bestrijdingsmiddelen is, in de woorden van het College, onmiskenbaar onverbindend verklaard en de toelating van dichloorvos is met terugwerkende kracht tot december 1998 ingetrokken.

``Een belangrijke doorbraak'', vindt Muilerman van Natuur en Milieu. ``Wij zijn heel blij dat die sluiproute nu is afgesneden. Temeer omdat een werkgroep van het ministerie van Landbouw op het punt stond voor 36 andere ouderwetse, vervuilende bestrijdingsmiddelen zoals parathion, chloorpyrivos, diazinon, captafol en atrazin ook een onmisbaarheidsverklaring voor te bereiden. Veel van die middelen stammen al uit de jaren vijftig of nog eerder en volgens het Meerjarenplan Gewasbescherming (1990) hadden ze voor 1995 moeten verdwijnen.''

``De voorlopige voorziening is toegewezen, maar het zou best kunnen dat de definitieve beslissing toch heel anders uitpakt, dat is van tevoren niet te zeggen'', zegt een medewerkster van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven desgevraagd. ``Het gaat om omvangrijke dossiers, die nog grondig bestudeerd moeten worden voordat die bodemprocedure over anderhalf of twee jaar gaat spelen.''

Volgens Nico Harteveld van bestrijdingsmiddelenfirma Luxan in Elst is dichloorvos juist een middel voor milieuvriendelijke geïntegreerde teelt. Tuinders gebruiken het als voorbereiding op biologische gewasbescherming na het beëindigen van een teelt of voor het opstarten van een nieuwe teelt. ``Men wil beginnen met een schone kas zonder plaaginsecten en laat dan enkele dagen later biologische bestrijders zoals sluipwespen los. Dat is nu voorbij, nu moet men andere, breed werkende middelen met een langere wachttijd voor de tuinders en een zwaardere milieubelasting gaan gebruiken, zoals mevinfos. Die middelen hebben niet dezelfde specifieke, hoogwaardige werking als dichloorvos'', aldus Harteveld. ``Wij zijn nu verplicht de ongebruikte voorraden van handelaren en tuinders terug te nemen, tot nader bericht. We beraden ons nog op de vraag of en hoe we ergens een schadeclaim kunnen indienen.''

``Dichloorvos was het eerste bestrijdingsmiddel dat alleen op recept verkrijgbaar was'', zegt Corine Verkleij van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen in Wageningen. ``Wij hebben tweeëneenhalf jaar aan dat receptuursysteem voor gecontroleerd gebruik en gecontroleerde distributie van onmisbare bestrijdingsmiddelen gewerkt. Bij dichloorvos werd het systeem voor het eerst in praktijk gebracht. Het gebruik was door het receptuursysteem al met 80 procent afgenomen ten opzichte van 1995. De basis voor dat receptuursysteem komt nu door de rechterlijke uitspraak te vervallen. Het College zegt in de voorlopige voorziening niet zozeer dat de wet niet goed is uitgevoerd, maar dat de wetgeving zelf niet deugt. Dat is nogal een principiële, stevige uitspraak. Volgens de rechter is het uitzonderingsartikel uit het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen strijdig met de Bestrijdingsmiddelenwet.''

GEMEENTEPLANTSOENEN

Intussen blijven de waterleidingbedrijven zich grote zorgen maken. Weliswaar wordt een aantal probleemstoffen nu verboden, waaronder de in gemeenteplantsoenen populaire onkruidbestrijder diuron, die bij de drinkwaterwinning veel problemen gaf. ``Maar gemeenten schakelen nu bijvoorbeeld voor de onkruidbestrijding over op glyfosaat, wat al net zo giftig is'', zegt ir. Leo Joosten van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland (Vewin). ``Met het huidige beleid worden de problemen met landbouw- en onkruidbestrijdingsmiddelen niet opgelost.''

Tot nog toe geven de gezamenlijke waterleidingfabrikanten jaarlijks zo'n 200 miljoen gulden uit om bestrijdingsmiddelen in het water op te sporen en ze eruit te halen. Deze kosten zullen de komende jaren fors stijgen omdat steeds meer drinkwaterbedrijven overschakelen van grondwater naar oppervlaktewater. In opdracht van de Vewin heeft het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM) in Utrecht zojuist een onderzoek naar bestrijdingsmiddelen en drinkwaterwinning afgerond. Daaruit blijkt dat de huidige milieucriteria niet streng genoeg zijn om de drinkwaterwinning veilig te stellen.

De huidige toelatingscriteria betreffen onder meer uitspoeling naar het grondwater, risico's voor waterorganismen en afbreekbaarheid in het water. Maar van de 25 door het CLM onderzochte bestrijdingsmiddelen die aan deze milieucriteria voldoen en dus de komende jaren op de markt mogen blijven, blijken 7 stoffen wel degelijk problemen te geven bij de drinkwaterwinning.

Joosten: ``De Europese Unie heeft de lidstaten in 1997 verplicht om de toelating van bestrijdingsmiddelen mede te toetsen aan het risico voor de drinkwaterwinning uit oppervlaktewater. Nederland heeft daaraan nog niet voldaan. De Vewin vindt dat Nederland dit EU-criterium zo snel mogelijk in de wetgeving moet opnemen.'' Bovendien zou het criterium niet alleen voor Rijn en Maas, maar ook voor kleinere oppervlaktewateren moeten gelden. Steeds meer waterleidingbedrijven winnen namelijk water uit kleine oppervlaktewateren en juist daar worden de normen voor bestrijdingsmiddelen regelmatig overschreden.