Nou en?

De kozijnen van mijn werkkamer op zolder zijn sinds de zeventiende eeuw niet meer vernieuwd, vrees ik. Grote kieren maken het nodig dat ik me 's winters in donzen dekbedden hul om een stukje te tikken. Maar in de zomer is het er heerlijk. Dan schuif ik de ramen ver open en kijk badend in licht uit over het groen aan de gracht. Toch heeft ook dat z'n nadelen; pinkstermaandag zat de hele kamer ineens onder de duivenpoep. Toen ik de computer wilde aanzetten drukte ik mijn vinger in een groenwitte derrie.

Het toetsenbord, mijn tafel, alles zat onder. Ook de vloer was bezaaid met gore klodders, maar bovendien, en dat vond ik wel ontroerend, met rommelige hopen takjes. In mei leggen alle vogels een ei, behalve de koekoek en de griet, die leggen in de meimaand niet. Duiven wel. Die hebben gedacht: wat een leuk hok, hier gaan we ons nestelen.

In het café, waar ik kokhalzend mijn toevlucht zocht, opperde iemand dat ik, gegeven de aanwezigheid van een duif met Pinksteren, kon getuigen van de uitstorting van de Heilige Geest. Zoniet, dan moest een hor afdoende zijn. Dus toog ik dinsdag naar boven met een emmertje sop en een stuk gaas. De hoopjes takken waren inmiddels uitgegroeid tot een berg die ik wreed in een – nog altijd niet opgehaalde – vuilniszak liet verdwijnen. En nu zit er, achter de hor, een dikke duif op de vensterbank. Met haar kraaloogjes kijkt ze mij verwijtend aan, omdat ik haar nest in aanbouw heb vernietigd.

`Komt een duif van honderd pond,/ een olijfboom in zijn klauwen,/ bij mijn oren met zijn mond/ vol van koren zoete vrouwen,/ vol van kirrende verhalen/ hoe de oorlog is verdwenen' (Leo Vroman). De oorlog dus, de oorlog, die maar niet wil verdwijnen. Hoe kun je aan iets anders denken? Wat zijn dat voor trivialiteiten – duivenpoep, stakende vuilnisophalers, lijmpogingen, of de positie van minister Borst? Hoe is het mogelijk de oorlog uit je hoofd te zetten?

Het lijkt wel alsof zowel de Nederlandse politiek als de publieke opinie (een enkele uitzondering daargelaten) zich het liefst door bijzaken laat afleiden. Oja, premier Kok heeft in Macedonië vluchtelingen bezocht, maar voor de rest is het ogenschijnlijk business as usual. Uit sommige krantenstukjes walmt de onverschilligheid je tegemoet. De een is `Kosovo-moe', de volgende heeft er zijn buik van vol en een derde beweert dat intellectuelen en schrijvers niet hoeven na te denken over de oorlog omdat `de bakker' dat ook niet hoeft.

Wie eenmaal een standpunt heeft ingenomen, hoeft niet verder meer te argumenteren. Een voorbeeld hiervan leverde Jan Mulder dinsdag in het televisieprogramma Barend en Van Dorp waar Ed van Thijn te gast was. Mulder fulmineerde, zoals hij onafgebroken doet, tegen de bombardementen op Servië. Van Thijn zei dat Frits Barend en hij er zonder bombardementen niet meer zouden zijn, waarop Mulder antwoordde: `Nou en?' Demagogie van Van Thijn, botheid van Mulder, allebei typerend voor het in Nederland gevoerde debat dat die naam niet verdient.

Vergelijk dat eens met de polemiek van de Hongaarse auteur Péter Nádas tegen zijn landgenoot György Konrád, deze week in alle heftigheid voortgezet in de op dit punt onvolprezen Frankfurter Allgemeine Zeitung. Met ontzetting slaat Nádas gade hoe de grote schrijver Konrád, tien jaar geleden nog de beroemdste voorvechter van de mensenrechten in zijn land, zich niet langer interesseert voor argumenten en tegenargumenten.

Onwrikbaar is Konrád van oordeel dat de NAVO een `misdadige oorlog' tegen Joegoslavië voert, degenen die daar achter staan zijn `bureaumoordenaars' en de westerse politici moeten `onder geestelijke curatele' worden gesteld.

Het verbijstert Nádas dat Konrád de miljoenen mensen kan vergeten die tien jaar geleden van hun autonomie werden beroofd, die acht jaar terug in Ljubljana gebombardeerd werden, in Vukovar, Dubrovnik, Sarajevo werden afgeslacht, in Srebrenica het massagraf in werden geschoten, die verkracht en uit hun huizen in Kosovo gedreven worden, wier papieren, geld en gouden sieraden afgepakt zijn, alleen omdat zij geen Serven zijn.

Konrád, aanvankelijk pleitbezorger van het Hongaarse NAVO-lidmaatschap, wijst bemoeienis van het bondgenootschap met de Balkan af. `Geweld tegenover geweld stellen is geen oplossing voor het zich al lang voortslepende conflict in deze regio.' De intentie van Konrád is meer dan begrijpelijk, riposteert Nádas, maar zijn argumenten zijn belachelijk. `Wat is dat voor een pacifisme, dat niet de kant van de zwakkeren kiest, maar zich integendeel juist in dienst van de sterkere stelt, alleen maar omdat zich in de wereld een nog sterkere militaire macht bevindt?'

Volgens Nádas maakt Konrád een denkfout als hij zich voor dat pacifisme beroept op de Universele Verklaring van de rechten van de mens. `Deze Verklaring roept ons niet op een wereldvertegenwoordigende instantie te zoeken die de strijd tegen de tiran officieel goedkeurt of het zaakje misschien tegen een goede prijs voor ons opknapt, ze schrijft ons voor – ieder van ons – tirannen zonodig onafhankelijk van dergelijke instanties te bestrijden.'

Konrád was woensdag in Amsterdam om zijn standpunt over Kosovo uit te dragen. Samen met Paul Scheffer verdedigde hij ook hier de opvatting dat de NAVO onbevoegd is tot ingrijpen, tenzij uit zelfverdediging. Uitsluitend de Veiligheidsraad kan namens de internationale gemeenschap handelen. Dit volkenrechtelijk sterke argument tegen de bombardementen op Servië heeft naar mijn gevoel deze week aan kracht ingeboet.

De aanklager bij het door de Veiligheidsraad ingestelde, onafhankelijke Joegoslavië-tribunaal heeft Miloševic en enkele van diens handlangers in staat van beschuldiging gesteld wegens misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. Namens `de internationale gemeenschap' in de zuiverste betekenis van dat begrip, onafhankelijk van de regeringen van de NAVO-landen, wordt de arrestatie verlangd van de Joegoslavische president wegens schending van de mensenrechten in Kosovo. Wie nu volhoudt dat de NAVO zich in een binnenlandse aangelegenheid mengt, heeft geen enkel argument meer over, moreel noch juridisch.

Nou en? zal Jan Mulder wel weer zeggen.