NACHTSCHADE-ACHTIGE LOKT PARASIET BIJ AARDAPPEL WEG

Aardappelmoeheid is een beruchte kwaal op de aardappelakker. Hij wordt veroorzaakt door twee soorten cystenaaltjes (Globoderae) die op de wortels van de aardappelplant parasiteren. De Wageningse agronoom dr. Klaas Scholte heeft een plant ontdekt die de parasieten bij de aardappels weglokt, zonder er zelf last van te hebben.

Cystenaaltjes komen in iedere bodemsoort voor. Ze verminderen de aardappeloogst en kunnen een akker voor langere tijd ongeschikt maken voor de teelt van pootgoed. Ze weten namelijk ook zonder waardplant in de grond te overleven als cyste. Een cyste is een vrouwtjesaaltje dat na haar dood als een zakje vol eieren afwacht tot er weer een aardappel wordt geplant. Dan komen de ongeveer 250 eitjes uit. De vrijkomende larven ruiken een stofje dat de aardappel afscheidt. Die lokstof wordt ook door veel andere planten van de nachtschadefamilie afgescheiden. Scholte heeft ruim honderd nachtschadesoorten getest op aantrekking van en resistentie tegen cystenaaltjes. De raketbladige nachtschade (Solanum sisymbriifolium) bleek onweerstaanbaar te zijn voor de aaltjes, maar werd zelf niet door de parasiet aangetast. Geplant in van aaltjes vergeven bodem, wist deze nachtschade de besmetting met 93 tot 96 procent te verminderen. Zelfs met chemische bodemontsmetting wordt dit succes niet gehaald. Waarom de aaltjes niet kunnen overleven op de wortels van de raketbladige nachtschade, weet Vos niet.

De kans dat er bij de aaltjes een mutant ontstaat die de lokplant wel aantast, maar de aardappel met rust laat, acht Vos klein. Ook de kans op kruisingen tussen de twee nachtschade-achtigen sluit hij uit. De raketbladige nachtschade is namelijk niet sterk verwant aan de aardappel. Hij lijkt meer op een aubergine.

Toepassing van S. sisymbriifolium bij het bestrijden van het cystenaaltje biedt volgens Vos grote mogelijkheden. Het isoleren en chemisch synthetiseren van de lokstof acht hij duur en weinig effectief. De lokstof wordt namelijk incidenteel toegevoegd, terwijl een plant hem continu en geleidelijk afscheidt.

De kans dat de raketbladige nachtschade de aardappel zou kunnen gaan overwoekeren en verdringen, sluit Vos uit. Er zijn tijdens experimenten weliswaar regelmatig besjes achtergebleven, maar die zorgden het volgende jaar niet voor opslag. Het is namelijk te koud voor de zaadvorming.

De plant komt uit Latijns- Amerika. Soms komt er wel eens een bij ons terecht, als verstekeling op een bananenboot wellicht, maar na één seizoen verdwijnt ie dan weer. Mocht de biologische bestrijding van aardappelmoeheid op grote schaal ter hand genomen worden, dan zal het nachtschadezaad in zuidelijker landen geteeld moeten worden. Daarbij loert weer een nieuw gevaar: het meeliften van exotische parasieten en ziekten. (Koos Dijksterhuis)