Na de oorlog

De tijd van het `na de oorlog' nadert. En dus is het tijd voor de eerste naoorlogse vraag: die naar de morele verantwoordelijkheid voor de vergeefse verwoesting. `Nadat het Westen zich in het militaire slop heeft gebombardeerd, ontdekt het dat aan het einde daarvan het politiek-economisch labyrint begint.'

Dit is derde maand van de oorlog. De NAVO, dat zijn `wij', heeft een groot deel van de Joegoslavische industrie verwoest, al doende honderden burgers gedood, natuurlijk ook andere gebouwen getroffen, de Kosovaren niet gered en de macht van Miloševic niet gebroken. De internationale diplomatie put zich uit in voorstellen die het sterkste bondgenootschap ter wereld uit zijn zelf gemaakte val moeten verlossen. De leiders zijn nog niet tevreden. Ze laten verder bombarderen.

Laten we deze oorlog vergelijken met een groot, vreedzaam project als de bouw van de Kanaaltunnel, maar dan veel ambitieuzer. Het optimisme van de ingenieurs die met hun modernste machines tegen ieder probleem zijn opgewassen, heeft de investeerders verleid. De eerste spade wordt in de grond gestoken, een enkele twijfelaar uitgelachen. Dan doen de machines niet wat de ingenieurs hebben beloofd. Dat is een kleinigheid! Een kwestie van een paar schroeven verwisselen, dure schroeven. De investeerders laten zich overtuigen. Het werk vordert weer. De ingenieurs stuiten op nieuwe problemen. Niet op gerekend. Er is veel meer geld nodig. Intussen is werk zo ver gevorderd dat het alle belanghebbenden aan moed ontbreekt om ermee op te houden. Dan ontstaat langzamerhand het automatisme van de vergeefse hoop. Onvermijdelijk breekt toch het ogenblik aan waarop het geld op is en de ingenieurs aan het einde van hun latijn. Daar ligt het gigantische project, onbruikbaar. De investeerders zijn failliet, de ingenieurs werkloos. Dit geheel heet een investeringsruïne.

De Joegoslavische oorlog is zo'n investeringsruïne in aanbouw. Beschouw de bombardementen als investeringen in de internationale orde. De vraag is nu, hoeveel er in de ruïne mag worden geïnvesteerd, voor de beleggers zich moeten terugtrekken. Dat is niet meer een economische vraag, maar een psychologische en een politieke; en ten slotte ook een juridische en een morele.

In het normale leven wordt de orde gehandhaafd door de politie, desnoods met toepassing van `redelijk geweld'. Als het geweld de grens van het redelijke overschrijdt, komt de politie in moeilijkheden. Als het de spuigaten uitloopt, als het huis van de verdachte in brand wordt gestoken, het bovendien `gewoon' wordt gevonden dat onschuldige buren het slachtoffer worden (terwijl de verdachte niet wordt gepakt) dan is het tijd om de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken te ontslaan. Gebeurt dit niet, dan heeft de misdaad zich in de staat gevestigd. Iedere avond zegt de nieuwslezer: ,,De bombardementen gingen gewoon door.''

De NAVO gaat gewoon verder met het verwoesten van een land, maar verdachte Miloševic zal niet worden gepakt, al brandt heel Joegoslavië af. In de verhouding tussen de waarschijnlijke bereikbaarheid van het doel en het toegepast geweld, is de grens van de redelijkheid overschreden. Als de NAVO niet `van ons' was, hadden we ons allang afgevraagd of hier oorlogsmisdaden werden begaan en hoe we er een eind aan konden maken. Misschien zou het goed zijn nog eens een paar journaals van de oorlog in Tsjetsjenië af te draaien, zodat we weer wat afstand konden nemen. Tsjetsjenië was het belangrijkste motief voor het impeachment van Jeltsin, al vond hij die oorlog zelf `legitiem'.

De tijd van het `na de oorlog', van onze oorlog nadert. Dan zullen we pas goed beseffen dat we bij het niet bereiken van ons doel, bij een steeds evidenter vergeefsheid van onze methoden, een natie kreupel hebben gebombardeerd. Onze investeerders in Den Haag, Kok, Van Aartsen en De Grave, de fracties van de regeringspartijen en zelfs GroenLinks, allemaal zijn ze medeplichtig aan deze investeringsruïne die de hoofdingenieur van het project, Bill Clinton, heeft achtergelaten. Het is niet gering, voor zo'n resultaat de verantwoordelijkheid te delen. Binnen de Nederlandse context doet het denken aan de verantwoordelijkheid van Drees, Romme, verreweg het grootste deel van de politieke elite van toen, voor het fiasco van de oorlog in Indonesië dat met de Soevereiniteitsoverdracht is besloten. Vervolgens ging Nederland over tot de orde van de dag.

Maar, zal men zeggen, hier worden verantwoordelijkheden verwisseld. Niet wij zijn de etnische schoonmakers; dat is Miloševic met zijn paramilitaire benden. Het valt niet tegen te spreken, maar dat is de vraag niet. Het gaat om de middelen, de methode die we gebruiken om hem te verslaan. Die deugen niet, zoals gebleken is, en daarvoor zijn `wij' verantwoordelijk. Dat is de eerste naoorlogse vraag: die naar de morele verantwoordelijkheid voor vergeefse verwoesting. Ik heb niet de illusie dat deze vraag na de oorlog dringend zal worden gesteld en, mocht dit wel zo zijn, dat er een duidelijk antwoord op komt.

Laten we ons verdiepen in de naoorlogse perspectieven, de mogelijkheden, de waarschijnlijkheden. De Joegoslavische president wordt verdacht van oorlogsmisdaden, en hij is ook de onderhandelingspartner met wie de vrede moet worden gesloten. We nemen aan dat hij heeft ingestemd met de voorwaarden van de NAVO. De Kosovaren keren terug en herhuisvesten zich onder internationaal toezicht. Wat zullen de inspectieteams daar aantreffen? Puinhopen, honderden, misschien duizenden landmijnen, boobytraps, zeker. Massagraven? Misschien ook wel. Zullen die ook worden geïnspecteerd? Te oordelen naar de Bosnische ervaringen zal het tot sint-juttemis duren voor is vastgesteld wie erin liggen en wie de beulen zijn. Dichter-staatsman Radovan Karadzic en veldheer Ratko Mladic lezen op een bankje in de tuin voor hun huis, dat de Serviërs het UÇK de schuld geven en het UÇK de Serviërs. Zolang Miloševic president is, komt er van berechting niets terecht.

Hoe het verder met zijn carrière zal gaan, valt niet te voorspellen, wel te vermoeden. Op de Balkan is de oorlog met zeer gemengde gevoelens gevolgd. In Griekenland bijvoorbeeld beschouwen de columnisten van een keurige krant als de Kathimerini (verschijnt in het Engels als bijlage van de International Herald Tribune) de NAVO als een organisatie van moordenaars. Voor de hele regio staat het vast: een volk dat meer dan twee maanden onafgebroken bombardementen heeft doorstaan is een heldhaftig volk en zijn president een held, wat er verder in politiek opzicht ook op hem aan te merken valt. Zelfs al zou de NAVO nu op alle punten haar zin krijgen, dan blijven voor de volken van de Balkan de Serviërs de eigenlijke winnaars.

De grote held zelf heeft intussen met zijn binnenlandse oppositie afgerekend. In de Golfoorlog hoopte de Coalitie dat de Irakezen zelf Saddam zouden afzetten. Degenen die daartoe misschien in staat waren geweest, werden snel vermoord. Bijna tien jaar nadat hij Koeweit was binnengevallen is hij nog steeds president.

In dit geval zal het de andere landen van de Balkan niet welkom zijn, iemand als Miloševic permanent in hun midden te hebben. Een Europees land dat twee maanden het trommelvuur van de NAVO weerstaan heeft, is een sterk land en een potentiële bron van verdere onrust. Daartegenover staat dan weer dat het een verzwakte buur is, die er de eerste jaren niet bovenop zal komen, maar daarvoor zal niemand de NAVO dankbaar zijn.

Dit brengt ons tot de volgende vraag: hoe zal Joegoslavië worden geholpen? Het is een Europees streven, want een Europees belang dat de Balkan in Europa wordt geïntegreerd. Hieruit volgt dat het volstrekt geen Europees belang is, het verwoeste Klein-Joegoslavië aan zijn lot over te laten. Door het land te isoleren bevorderen we het officieel tot de rogue nation terwijl alles er juist om begonnen was, het uit die status te verlossen.

Hulp bij de wederopbouw is noodzakelijk – maar hulp aan de voormalige dictator? Het zou dus een voorwaardelijke hulp worden. Geloven we dat de held van de oorlog zich voorwaarden zal laten stellen? Misschien zal hij doen alsof. Maar het geloof in het effect van voorwaarden hoort tot dezelfde orde als dat in de bombardementen die hem tot rede moesten brengen. De vier jaar ervaring in het onderhandelen met Karadzic kan hier zijn nut bewijzen.

Na de wapenstilstand komt het economisch-politieke vraagstuk van de Joegoslavische wederopbouw aan de orde.

Er is een kans dat hier een nieuwe tegenstelling zal ontstaan. Een snelle wederopbouw, eerst het herstel van de infrastructuur, dan van de industrie is in het belang van de hele Balkan. Klein-Joegoslavië moet weer een economische partner in de regio worden. Dat is noodzakelijk voor de politieke reclassering. Bovendien hopen de buurlanden van de nieuwe vrede mee te profiteren. Thessaloniki bijvoorbeeld heeft zich al kandidaat gesteld als doorvoerhaven van alles wat voor de wederopbouw nodig is. Maar er is vooral behoefte aan grote investeringen.

De ervaring in Bosnië heeft geleerd dat buitenlandse investeerders na een zwak begin het avontuur niet wilden voortzetten. Zou Klein-Joegoslavië onder president Miloševic aantrekkelijker zijn? Niet waarschijnlijk. De noodzaak van een snelle wederopbouw en de drang van de buurlanden om daarbij politieke bezwaren en risico's minder te laten tellen, botst dan op de weigering van de investeerders. Het resultaat zal een voortsukkelende wederopbouw zijn, een land dat niet van zijn kreupelheid wordt genezen, en dus een bron van politieke onrust blijft.

De oorlog, d.w.z. het drie maanden bombarderen, heeft een doolhof van problemen veroorzaakt. Dat weten we in ieder geval nu al zeker. De vergelijking met het Duitsland van 1945 dringt zich op. Nazi-Duitsland was de uitgetelde verliezer. De laatste bevestiging daarvan ligt in de processen van Neurenberg. Toen zijn de Geallieerden al vlug zo verstandig geweest West-Duitsland te betrekken in de Europese wederopbouw. (De beginnende Koude Oorlog maakte dat ook noodzakelijk, maar er gaat niets van af: de overwinnaars hebben de overwonnenen niet in een nieuw Versailles gewurgd).

Is een dergelijke oplossing nu mogelijk? Een klein Marshallplan? Het zou misschien verstandig zijn, maar het kan niet. Daarvoor zou ook een klein Neurenberg nodig zijn. Dit vooronderstelt een volledige overwinning, en die wordt niet behaald. De vergelijking deugt niet. Zo komen we tot deze verwachting: nadat het westen zich in het militaire slop heeft gebombardeerd, ontdekt het dat aan het einde daarvan het politiek-economisch labyrint begint.

Intussen is de NAVO zelf zwaar beschadigd. Herinneren we ons dat een belangrijk motief om de luchtoorlog te beginnen het handhaven van de geloofwaardigheid was. De geloofwaardigheid bestaat uit twee componenten: de bewezen bereidheid om geweld te gebruiken, en de verhouding tussen het toegepaste geweld en het beoogde effect. Met de eerste component is het in orde. In de tweede component ligt de catastrofe verborgen. De bereidheid tot het gebruik van geweld blijkt aan bepaalde grenzen te zijn gebonden en met dit geclausuleerd geweld is het doel niet bereikt.

De strategische fout uit de oorlog in Bosnië is de afgelopen twee maanden grootscheeps herhaald. De oorlogsleiders hebben telkens weer laten weten: geen grondtroepen. Politiek gezien konden ze niet anders: met deze verzekering moest de oorlog van de kiezers worden gekocht. Alleen bij de kleinst mogelijke kans op gesneuvelden is een meerderheid bereid haar politieke steun te geven. Het is mogelijk dat dit een verstandige meerderheid is: dat bij de inzet van grondtroepen de verwoestingen nog groter waren geweest en een oplossing verder weg. Intussen heeft de oorlogsleiding zich door dit `contract met de kiezers' zelfs de mogelijkheid tot de opbouw van een leger ontnomen.

Door de tegenstander de zekerheid te geven dat hij met een oorlog op de grond geen rekening hoeft de houden, verlost men hem in ieder geval van één grote zorg. Zelfs hoeft hij geen rekening meer te houden met een geloofwaardige dreiging. De Apache-helikopters blijven aan de grond en binnen de leiding van de NAVO is ruimschoots openbare onenigheid ontstaan over een grondoorlog waarvoor het waarschijnlijk te laat is.

Daarbij gaat het nu niet om de vraag of de Kosovaren ermee worden gered. Terwijl de NAVO verder over de grondtroepen delibereerde, is er een internationaal diplomatiek en politiek front tegen de grondoorlog ontstaan. De Balkanlanden, Rusland en China hebben geleidelijk een informele coalitie tegen de grondoorlog gevormd. Anders gezegd: de niet-gevoerde grondoorlog is wereldpolitiek geworden. Wil de NAVO daar een confrontatie extra? Het zou niet verstandig zijn. Wordt de confrontatie vermeden, dan blijft het saldo dat de NAVO zich aan de wereld, of de `internationale gemeenschap' heeft gepresenteerd als een laffe krachtpatser van de high tech.

Het zal interessant zijn te volgen hoe de strategen en de theoretici van de denktanks de net-niet-nederlaag verklaren en er hun lessen uit trekken, welke typen oorlogen ze in de nieuwe eeuw zullen onderscheiden, en hoe de volgende crisis moet worden behandeld. Daarop vooruitlopend wil ik wel voorspellen dat de NAVO nooit meer aan een oorlog zal beginnen die ook maar de kleinste gelijkenis met deze zou kunnen vertonen.

De laatste vraag van na de oorlog blijft, hoe het mogelijk is dat Amerika, Europa, de NAVO, het hele westen zichzelf op deze manier in dit uitdijend geheel heeft kunnen verstrikken.

Het is te gemakkelijk alles te verklaren uit `de westerse arrogantie', het onvermogen van de supermacht om de beperkingen van zijn zwaard te beseffen en een beschavingsgebied dat de aantrekkingskracht van zijn cultuur universeel en onweerstaanbaar acht, maar zich vergist. De problemen van de Balkan hebben hun voorgeschiedenis en dat geldt niet minder voor die van het Westen. Deze oorlog is een botsing waarin als het ware de twee voorgeschiedenissen een kristallisatiepunt hebben bereikt.

De grote buitenlandse politiek van het westen wordt in Washington ontworpen en soms uitgevoerd. Na de Golfoorlog hebben de Amerikanen hun buitenlandse politiek verwaarloosd en tegelijkertijd is de binnenlandse politiek bij de kiezers in diskrediet geraakt. Van alle hoofdsteden ter wereld is Washington waarschijnlijk het rijkst aan openbare schandalen. De meeste hebben de achternaam gate. Ook de fundraising hoort erbij, de manier waarop de verkiezingscampagnes worden gevoerd, de invloed van de lobby's, de spindoctors en de advocaten. Het centrum van dit alles is een jaar lang de Lewinsky-affaire geweest. Die heeft vrijwel alle politieke energie in Washington in beslag genomen en tegelijkertijd de weerzin van de kiezers tegen `de' politiek bevorderd. Dat is één hoofdstuk van de voorgeschiedenis.

Overal in het westen zijn de politieke collectieven, partijen, vakbonden, verenigingen van patriotten in verval. Dit betekent niet dat, zoals de theoretici van de `individualisering' denken, men individualistischer is geworden. Misschien is de eenvormigheid groter dan ooit, maar het is een eenvormigheid die steeds minder de neiging heeft, zich te engageren voor een collectief belang, zeker niet als er een gerede kans is dat men niet levend van het engagement terugkeert. Verklaart de president dat de natie zich in een oorlog wil begeven waarin kan worden gesneuveld, dan verliezen hij en zijn partij stemmen. En als er dan ook nog werkelijk veel wordt gesneuveld, verliest de kandidaat voor zijn opvolging de verkiezingen. Dit is het politieke systeem in het westen tot zijn laatste eenvoud teruggebracht. Het geeft ook aan waar de grenzen van de buitenlandse politiek worden getrokken, niet alleen in Amerika, ook in Duitsland, Italië, Nederland.

Tegenover het verval van `de' politiek, de afbrokkeling van de politieke collectieven en de enge begrenzing van de buitenlandse politiek staat het cultureel en economisch machtsbewustzijn van het westen. Op 28 maart, vier dagen na het uitbreken van de oorlog verscheen de kleurenbijlage van The New York Times met op het omslag een gebalde vuist, beschilderd met de Stars and Stripes en daarbij de vetgedrukte verklaring: What The World Needs Now. `Om der wille van een goed functionerende globalisering', gaat het verder, `zal Amerika er niet voor mogen terugschrikken, te handelen als de supermacht die het is.'

Het artikel – geschreven vóór de eerste bommen vielen – is van Thomas L. Friedman, een verstandige, goedgeïnformeerde en vaak sceptische columnist. Eigenlijk is het geen gewoon krantenartikel maar `a Manifesto for the Fast World' een koene analyse van Amerika's nieuwe rol in de wereld, gevolgd door de opdracht die daaruit voortvloeit.

De toekomst, schrijft hij, is aan een nieuwe internationale orde, die van de mondialisering, de vrije markt en het WorldWideWeb. Dat deze orde, dit systeem er komt, valt niet te betwijfelen. Er is geen keus, verzet vergeefs. Dat het staat te gebeuren is zeker, en het is bovendien noodzakelijk. De vraag is alleen hoe het onafwendbare zich zal voltrekken. `We Americans are the apostles of the Fast World, the prophets of the free market and the high priests of high tech. We want ''enlargement'' of both our values and our Pizza Huts. We want the world to follow our lead and become democratic and capitalistic, with a Website in every pot and Microsoft Windows in every computer.'

Natuurlijk wekt dat weerstand. Maar juist omdat de ontwikkeling onvermijdelijk is, en Amerika zich niet kan isoleren, moet het leiding geven. Dit is niet mogelijk als de benign superpower geen vuist kan maken en ook bereid is die te gebruiken. De wereldorde die nu contouren krijgt heeft een macht nodig die haar verdedigt. Dat is de verantwoordelijkheid, de last die Amerika nu draagt – America's new burden.

Met deze samenvatting in een paar regels doe ik geen recht aan Friedmans redenering. Dit `manifest' is bovendien een hoofdstuk uit zijn boek, The Lexus and the Olive Tree: Understanding Globalization, dat binnenkort zal verschijnen. Het zal zeker interessant zijn. Maar hier gaat het om America's Burden, de 21ste eeuwse versie van Kiplings White Man's Burden. Dat Amerika een roeping heeft is niet alleen de overtuiging van Friedman. Nagenoeg de hele Washingtonse elite die nu de buitenlandse politiek ontwerpt en uitvoert, is op een of andere manier deze visie toegedaan. Terecht of niet, dat is hier niet aan de orde.

De visie van de elite is niet die van het volk. De vuist van Friedman is in dit stadium een aarzelende vuist, of een vuist die bij iedere verkiezingen te koop wordt gezet, of een vuist van papier-maché.

De voorgeschiedenis van deze oorlog ligt niet alleen in de etnische vraagstukken van Joegoslavië. Er is, sinds het einde van de Koude Oorlog, een complementaire voorgeschiedenis is Washington en de Europese hoofdsteden. De nieuwste fase daarvan bestaat uit drie maanden bombarderen. Het is niet alleen een symptoom van de `arrogantie van de macht', een humanitaire ingreep met averechtse resultaten, een staaltje mislukte geopolitiek. Het is vooral het saldo van acht of negen jaar verwaarlozing, omzichtig gescharrel met Europa's grootste probleem dat nu met een spoedoperatie moet worden opgelost. Dat mislukt.