Lexicon van skate-jargon

Rollerskates. Twee keer twee wieltjes naast elkaar, vaak met (suede) leren veterschoen. Professionele uitvoering van de populaire rolschaats uit begin jaren tachtig. Goed om op te dansen.

Inline skates. Vier wieltjes op een rij. De stevig uitgevoerde versie met kleine wieltjes is geschikt om trucjes mee te doen: slalommen rond pionnetjes, springen, op en neer in de half-pipe (skatebaan in de vorm van een grote halve pijp). De uitvoering met grotere wieltjes is geschikt om langere afstanden mee te skaten, al kan er nog steeds op gedanst worden. Dit is de meest populaire skate.

Skeelers. Vijf wieltjes op een rij. Enige doel: zo hard mogelijk rechtuit. De eerste skeelers zagen eruit als noren met wieltjes eronder. Nu zijn er hi-tech skeelers met stijf frame, snelle lagers en speciale schoen. Er zijn ook klap-skeelers.

Agressive skaters. Doen stunts als backflip (salto achterover) en air (hoge sprong) in de half-pipe of vert (hoge half-pipe). En trucjes als grinding (dwars over een trapleuning of stoeprand glijden). Dit is erg flex (gaaf).

Fun- en fitness-skaters. Gaan op normale inline skates een stukje over de Maasboulevard of een rondje door het Vondelpark.