Kosovo bepaalt de toekomst van geopolitiek VS

Wie Londen dezer dagen bezoekt doet een opmerkelijke ontdekking over de gebeurtenissen in Kosovo. Waar veel Amerikaanse waarnemers spreken van Madeleine's war, blijken de Britse media de oorlog als een vrijwel uitsluitend Britse aangelegenheid te beschouwen, waarbij de strategie met ferme hand wordt bepaald in Downing Street. Premier Tony Blair wordt bejubeld om zijn vlammende oproepen aan `zijn generatie' om de tirannie te verdrijven. De werkelijkheid ziet er uiteraard heel anders uit.

Zoals Niall Ferguson aantoont in zijn nieuwe boek Pity of War was de Eerste Wereldoorlog de laatste Europese oorlog waarin de Europeanen meer mannen naar het slagveld hebben gestuurd en grotere financiële inspanningen hebben geleverd dan de Verenigde Staten. In Kosovo doen nog geen 50 Britse vliegtuigen mee. Zonder de Verenigde Staten zijn de Britten en in het algemeen de Europeanen militair niet in staat een vuist te maken.

De onbalans in de wederzijdse militaire bijdragen is een openbaar schandaal. Wat minder opvalt is dat de feitelijke en potentiële schade als gevolg van de operatie rond Kosovo in onevenredige mate de Verenigde Staten treft. Anders dan de Verenigde Staten heeft Europa namelijk geen mondiale strategische belangen meer. Kijken we bijvoorbeeld naar China, in de nasleep van het bombardement op de Chinese ambassade in Belgrado. Nu in Azië nauwelijks meer Europese strijdkrachten zijn, beperken Europa's betrekkingen met China zich tot handel. Voor Europa is belangrijk hoeveel overhemden, tractoren of stroomcentrales het kan verkopen aan wat over een halve eeuw 's werelds grootste economie zal zijn. Of China politiek pro- of anti-Europa is, maakt voor dit simpele goederenverkeer niets uit. En zo kon NAVO-secretaris-generaal Javier Solana zich beperken tot verontschuldigingen voor de fouten van de NAVO en overgaan tot de orde van de dag.

De Verenigde Staten staan er volslagen anders voor. Natuurlijk hebben de VS ook een zwaarwegend belang bij handel met China, maar de Amerikaanse belangen gaan veel verder. Als ,,Eurazië's stabilisator in laatste instantie'', zoals de vroegere Nationale Veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski de VS noemde, hecht dat land veel waarde aan het imago dat het in China heeft. Zien de Chinese autoriteiten de Verenigde Staten als strategisch welgezind, dan ligt de weg open naar een vreedzame oplossing van potentiële conflicten zoals Taiwan en de Zuid-Chinese Zee. Nemen zij het tegenovergestelde standpunt in, dan worden niet alleen deze problemen nijpender, maar dan beschikt China over nog tal van andere manieren om de Verenigde Staten te laten boeten. Intensivering van de nucleaire samenwerking met Pakistan of Noord-Korea, stoken in Indonesië, strategische samenwerking met Rusland, een anti-VS-gezinde toenadering tot India – de Chinezen zijn subtiele strategen met een lange-termijnvisie. Al deze mogelijkheden doen zich aan hen voor. En alle zouden ze de Amerikaanse belangen ernstig schaden.

Hetzelfde geldt voor Rusland. Weliswaar is het in Washington tegenwoordig bon ton om te schimpen op de malaise in Rusland en daarmee op de vergelding waartoe dat land in staat zou zijn, maar Rusland kan op tal van punten druk uitoefenen. Olie uit het Kaspische Zeegebied, defensie-technologische samenwerking met Iran, help aan de Koerden in Turkije, het aanwakkeren van nationalisme in de oostelijke Oekraïne en de Baltische republieken – het is geen onbeduidende lijst. En tot slot, als de Russen massaal tot de conclusie komen dat Amerika zijn woord niet houdt, kan Europa afstevenen op een nieuwe Koude Oorlog. Goede vrienden van de Verenigde Staten, zoals de Russiche hervormer Anatoli B. Tsjoebais, hebben al gewaarschuwd voor een golf van anti-Amerikanisme in Rusland.

Waarmee we terug zijn bij het uitgangspunt. Voor- en tegenstanders van de oorlog in Kosovo kunnen het erover eens zijn dat de geostrategische schade voor de Verenigde Staten elke dag dat de oorlog voortduurt en de fouten zich opstapelen, exponentieel toeneemt. De aderlating van Amerika's morele geloofwaardigheid is al voelbaar. De oorlogspartij, die geen oog heeft voor deze verderreikende schade en alleen Kosovo ziet, betoogt dat het ondanks alle fouten zaak is om `tot het eind toe vol te houden'. Dat is de boodschap die de Britse minster van Buitenlandse Zaken Robin Cook bij zijn bezoek aan Washington bracht. Maar Amerikaanse besluitvormers moeten onthouden dat het Europese belang provinciaal is, maar het hunne mondiaal. Als Blair en de zijnen de zaak-Kosovo zo zijn toegedaan, laten zij dan het voortouw nemen.

De Verenigde Staten kan zich in Kosovo geen `winst' veroorloven die de kiem vormt van nieuwe geostrategische conflicten op de lange duur, vooral omdat men weet dat die conflicten uitsluitend door de Verenigde Staten zullen worden uitgevochten.

Jonathan Clarke is voormalig Brits diplomaat en verbonden aan het Cato Institute in Washington.