Iet wiet waait...

Stuifmeel van genetisch gemanipuleerde maïs blijkt schadelijk voor monarchvlinders. Greenpeace wil een verbod op het gewas, maar volgens bioloog dr. Ruud de Maagd heeft de maïs ook zijn voordelen.

NEE. ECHT verrast was dr. Ruud de Maagd niet toen hij vorige week hoorde dat stuifmeel van genetisch gemanipuleerde (GG) maïs schadelijke effecten heeft op de monarchvlinder. ``Als bioloog zeg ik: het behoort tot de mogelijkheden'', aldus De Maagd, verbonden aan het Centrum voor Plantenveredelings- en Reproduktieonderzoek (CPRO-DLO) in Wageningen.

Het nieuws verscheen vorige week in Nature. Entomologen van Cornell University in New York toonden aan dat pollen van GG-maïs op bladeren van in de buurt levende zijdeplanten kunnen waaien, tot minstens 60 meter ver. Rupsen van de monarchvlinder voeden zich met de bladeren van deze plant en krijgen zo ook de pollen binnen. En die blijken giftig voor de insecten. Tijdens een experiment in het laboratorium stierf de helft van de rupsen die bladeren aten waarop veel van de GG-pollen zaten. De rupsen die bladeren met gewone pollen aten, of bladeren zonder pollen, bleven gezond.

De bevinding kan ingrijpende gevolgen hebben voor de conservatie van de monarchvlinder, aldus de entomologen. Want vijftig procent van de populaties houdt zich in de zomer op in de `corn belt', het Midwesten van de Verenigde Staten waar maïs wordt verbouwd. En het areaal met GG-maïs neemt explosief toe. In 1996 werd het gewas nog niet aangeplant, twee jaar later besloeg het al een kwart van alle Amerikaanse maïsvelden (8 miljoen hectare). De entomologen maken zich zorgen over het gevaar dat dreigt voor de monarchvlinder. Maar De Maagd – die in opdracht van het Ministerie van Landbouw onderzoek doet naar de risico's van GG-maïs – nuanceert. ``Het zijn waarnemingen uit het lab met bladeren die extreem veel pollen bevatten. Dat wil nog niet zeggen dat in het veld hetzelfde gebeurt en het zegt niets over de schaal waarop het gebeurt. Deze proef is dus nog niet echt relevant.''

Voor Miriam van Gool van Greenpeace zijn de bevindingen echter reden genoeg om de GG-maïs te boycotten. ``We waarschuwen al langer voor de schadelijke effecten van deze maïs. Eerder is aangetoond dat gaasvliegen er schade van ondervinden.'' Ook hier ging het overigens om laboratoriumexperimenten. In Nederland heeft Greenpeace inmiddels aangedrongen op een moratorium op het gebruik van genetisch gemodificeerde gewassen zolang niet alle milieu- en gezondheidseffecten in kaart zijn gebracht. Ook in Frankrijk en Engeland gaan die geluiden steeds vaker op. Oostenrijk kondigde afgelopen woensdag een verbod aan op de toelating van de GG-maïs van biotech-gigant Monsanto. Van Gool: ``We weten nog zo weinig over de gevolgen van genetische manipulatie. Er moet eerst veel meer onderzoek worden gedaan.''

De discussie over de GG-maïs woedt al jaren en spitst zich vooral toe op het extra gen dat de maïs bevat. Het gen is afkomstig uit de bacterie Bacillus thuringiensis (Bt) en codeert voor een toxine (Cry). Inmiddels zijn er vijftig verschillen Cry-genen gevonden, elk met zijn eigen specificiteit. Zo is Cry1Ab giftig voor de maïsboorder, in Amerika de grootste plaag voor de maïsplant. Cry3 is giftig voor de Coloradokever, een plaaginsect van de aardappel.

In 1995 kreeg Monsanto als eerste toestemming van de Environmental Protection Agency om een Bt-product (een aardappel met de naam NewLeaf) in de VS op de markt te brengen. NewLeaf is resistent tegen de Coloradokever. Inmiddels hebben de bedrijven Monsanto, Novartis en Pioneer allerdrie een maïsvariant op de markt die een Bt-gen bevat. Ze hebben toestemming om het gewas in de EU te verbouwen. Dat gebeurt al in Frankrijk, Italië en Spanje. In noordelijke landen komt de maïsboorder weinig voor, dus is er geen reden om het Bt-gewas daar te planten. In Nederland hebben de zaadveredelaars Hettema en Ropta wel al aanvragen gedaan voor kleine veldproeven met Bt-aardappelen die bescherming moeten bieden tegen de Coloradokever.

De biologische landbouw maakt al 30 jaar gebruik van Bt-toxines in de strijd tegen plaaginsecten. Het is het meest gebruikte biologische insectenbestrijdingsmiddel. Nadeel is dat de over het gewas gesproeide toxines snel oplossen in een vochtige omgeving en hun werking verliezen. Bovendien raken insecten langzaam resistent tegen het middel. Vanuit de VS, Azië en Centraal Amerika zijn al meldingen gekomen van Bt-resistentie tegen sprays.

Ook de veelgebruikte chemische bestrijdingsmiddelen hebben nadelen. Ze zijn vaak belastend voor het milieu en werken lang niet altijd omdat ze de lastig te bestrijden maïsboorder niet altijd bereiken. De rups, die vijf groeistadia doorloopt, verbergt zich gedurende zijn eerste twee larvale stadia namelijk diep in de bladerkrans en voedt zich daar met blad. En vanaf zijn derde larvale stadium houdt hij zich op ín de stengel waar hij de water- en nutriëntenstroom aftapt.

De strategie die biotechbedrijven gebruiken – laat de plant zelf een gifstof maken – blijkt zeer succesvol. ``Het aantal maïsboorders neemt drastisch af op Bt-planten'', zegt De Maagd. Maar de bedrijven slaan met hun aanpak meer vliegen. De boer hoeft ook minder van de ongewenste chemische bestrijdingsmiddelen te spuiten. ``Dat zou ook wel eens positief kunnen zijn voor de monarchrups omdat tijdens het spuiten, bijvoorbeeld via een vliegtuig, minder bestrijdingsmiddelen op planten in het veld terecht komen. Maar volgens Van Gool laten de bedrijven zich te veel leiden door economisch gewin, en houden ze te weinig rekening met de ecologische effecten van hun GG-gewassen.

Uit eerdere experimenten is al vaker gebleken dat die effecten er zijn. In het maandblad Trends in Biotechnology maakten Britse entomologen deze maand een opsomming. Ze richten zich vooral op het zogeheten tritrofische systeem, die behelzen de interacties tussen een plant, zijn plaaginsect en de parasiet die op zijn beurt het plaaginsect belaagt. Zo daalde het aantal gezonde individuen van de vlieg Myiopharus doryphorae, die op de Coloradokever parasiteert, van 90 naar 87% als de vlieg verhuisde van gewone planten naar GG-planten. Bij een GG-sojaboon namen gewicht en vruchtbaarheid van een op een bladluis parasiterend insect af. Maar over het algemeen blijken de resultaten zeer variabel. De ene keer gaat het slechter met de parasiet van een plaaginsect, de andere keer beter. De interactie tussen GG-planten, plaaginsecten en parasieten blijkt zeer complex en geeft vaak onverwachte resultaten. Daarom pleiten de auteurs voor gestandaardiseerde methoden voor ecotoxicologische evaluaties.

Van Gool wil meer aandacht voor biologische bestrijdingsmiddelen zoals sluipwespen of lieveheersbeestjes. ``Het nut daarvan is in de afgelopen jaren al vaak genoeg aangetoond.'' Maar De Maagd wijst erop dat sluipwespen met name ín de kas worden toegepast. ``In het veld werkt het slecht, omdat de insecten uitzwerven en op het gewas nooit zo'n hoge dichtheid bereiken als in de kas.'' De Britse entomologen concluderen in hun overzichtsartikel dat het waarschijnlijk onmogelijk is om een verandering aan te brengen die geen enkele verandering met zich meebrengt. ``Het lijkt onontkoombaar dat elke menselijke ingreep om een gewas tegen een plaag te beschermen (...) enige verstoring van het tritrofische systeem tot gevolg heeft.''