Hollands vlag

Altijd is het weer een verrassing, in een verder afgelegen buitenland iets uit je moedertaal te lezen, of nog beter, te horen. Het is de taalkundige versie van het Hollands vlag, je bent m'n glorie, Hollands vlag je bent m'n trots, 'k roep van louter vreugd Victorie! als ik je zie aan vreemde kust. De rest nu ook maar: Op de zee en aan de wal, Hollands vlag waait overal! (bis). Ik heb het gezongen terwijl ik het opschreef.

Een paar voorbeelden: op veel garages in Jakarta staat het woord knalpot. Nadat tsaar Peter de Grote in Zaandam in de leer was geweest, kregen de Hollanders in Rusland een goede naam. Een Russische vriend die in Moskou Nederlands heeft gestudeerd, Viktor Archipov, vertelde me dat het Russisch woorden heeft die regelrecht uit onze taal zijn overgenomen, o.a. het woord broekje. Toen ik hem in Moskou ontmoette, was hij nog nooit in Nederland geweest, maar hij sprak de taal vrijwel accentloos, langzaam, en zijn zinsbouw was zorgvuldig. Zijn leermeester was een liefhebber van Couperus. Hij had examen moeten doen in De boeken der kleine zielen.

Ik noem nog eens het mooie essay van Rudy Kousbroek, Hebben Hollanders hielen? De Hollanders waren de eerste Europeanen die in Japan werden toegelaten. Hoe dat komt is me ontschoten – hij zal het zeker hebben verklaard – maar de Japanners vroegen zich af of wij hielen hadden. Het kan zijn dat onze voorvaderen er altijd hun broekspijpen overheen hadden. Hoe dan ook, onze aanwezigheid heeft haar sporen in het Japans achtergelaten.

Kousbroeks stelling is dat, als we in de Gouden Eeuw niet zo geldzuchtig waren geweest, of dat ook, maar in ieder geval de export van onze cultuur niet hadden verwaarloosd, het Nederlands de eerste wereldtaal had kunnen zijn. Lucas Ligtenberg beschrijft in zijn juist verschenen boek, De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant, hoe de Nederlanders zich overal in Amerika hebben gevestigd. Op school hebben we geleerd dat Manhattan voor een appel en een ei aan de Engelsen is verkwanseld, en dat Brooklyn vroeger Breukelen heette. En Coney Island was Konijneneiland.

Nu luister ik graag in de tram naar de kinderen, tweede generatie Marokkanen, Surinamers, Turken die op weg naar school in accentloos Amsterdams hun lessen repeteren. Heeft onze emigratiegolf uit het eind van jaren veertig sporen in het Australisch en Canadees achtergelaten? Waarschijnlijk was het daar al veel te laat voor, ze waren een kleine minderheid en toen ze voet aan land zetten, economisch zwak. Alleen als je met veel bent, en rijk, heeft je taal in het buitenland een kans.

Hieruit volgt dat de zomer het beste seizoen is voor de verbreiding van de taal, want dan komen en gaan de toeristen. Ze komen naar Nederland, zijn economisch sterk maar wij ook, en ze zijn een minderheid. Het ligt voor de hand dat we ze niet overal de hele dag bedienen met hun eigen taal maar ze ook een mondje Nederlands leren. De gelegenheid maakt de meester.

Wij gaan naar het buitenland en daar komen we in contact met de obers. Die vormen de eerste linie, daar wordt de eerste stoot van het Nederlands taalimperialisme opgevangen. We moeten er niet gering over denken. Dit jaar gaan acht miljoen Nederlanders naar het buitenland en komen daar in contact met ongeveer een miljoen obers. Er ligt dus een groot didactisch potentieel.

De meeste Spaanse obers spreken in ieder geval één woord. Dat noem ik niet omdat het uit Griekenland komt. In Praag, Hotel Alcron, had je destijds een ober die Leve de Koningin! kon roepen. Wie het hoorde zou zweren dat hij in Den Haag minister van Buitenlandse Zaken was geweest, of het wilde worden. Toen kreeg je de obers van de jaren zestig. Ze gaven je een knipoog en begonnen aan hun viezewoordenschat. Ik ben nog nooit een Engelsman, Fransman, Duitser of Amerikaan tegengekomen die erop stond, me zijn woord voor neuken aan het verstand te brengen. Te oordelen naar wat de nieuwe obers aan Nederlands spreken, is dit volgens onze toeristen de sleutel tot de Nederlandse beschaving.

Nu kwam ik er een tegen die zichzelf basis-Nederlands had geleerd door goed te luisteren. Ik ging aan een van zijn tafeltjes zitten en liet me in een stoel zakken, zoals een vermoeid mens dat doet. Hij zei: ,,Hè hè'', kwam nader en vroeg: ,,Alles goed?'' Zo zuiver van accent en intonatie dat ik een seconde dacht in een Nederlands café te zitten. De heer Jorgos Vasilakis, zo heet hij, en ik raakten in gesprek, gingen verder in het Engels (want het werd te ingewikkeld voor zijn Nederlandse woordenschat). Ik vertelde wat ik voor de kost deed. Hij zei: ,,Zo zo!'' Toen werd hij weggeroepen door de leider van een vervelend gezelschap. Op hoge toon zei de leider dat ze op de foto wilden. Die moest hij maken. Hij deed wat hem gevraagd werd. Geen bedankje kon eraf.

Hij kwam terug, we hervatten ons gesprek. Honderden foto's maak ik per seizoen, vertelde hij. Meestal doe ik mijn best. ..But these people are rotzakken. Kunt u daar iets tegen doen, vroeg ik. Hij glimlachte. Zeker. Die worden allemaal door mij onthoofd.

Veel obers van de nieuwe generatie verstaan veel meer Nederlands dan hun klanten beseffen maar ze laten er niets van merken. Jorgos Vasilakis heeft nog een jaartje in Duivendrecht gewoond. Als er vervelende Nederlanders aan zijn tafeltjes komen, spreekt hij consequent Engels. Hoeveel onthoofdingen hebt u per seizoen, vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd; hij wilde het niet zeggen.