`Het blijft sloffen'

Hij is geen man van het grote gelijk, het dikke commentaar. Elke bewering relativeert hij met een `ach' of een `zo'n beetje'. Jacques `Zak' Moeraert - tekenaar bij de Volkskrant en De Morgen - heeft zich aan de katho- lieke wereld van zijn jeugd onttrokken. Sindsdien neemt hij die wereld als ijkpunt om te laten zien dat hij het zelf ook niet meer begrijpt.

Hij is de man die een Vlaams echtpaar in de huiskamer tekent, de man wanhopig in een leunstoel, de vrouw in sombere verwachting schrijlings op een keukenstoel. Op de tafel staan een computer, een printer en een mobiele telefoon. `Er moet', zegt de man, `toch iemand zijn die we kunnen laten weten dat we vanaf nu vierentwintig uur op vierentwintig bereikbaar zijn.'

Hetzelfde Vlaamse echtpaar, nu met zonnebril, tekent hij terwijl ze in een reisbureau een reis uitzoeken naar een ver vreemd land. `En', vragen ze aan het baliemeisje, `kan je daar de mensenrechten een beetje zien schenden?'

Jacques Moeraert, 51 jaar en huistekenaar van het Belgische dagblad De Morgen. In Nederland kiezen de Volkskrant, de Groene Amsterdammer en het Limburgs Dagblad elke week een exemplaar uit zijn dagelijkse productie. Onder zijn cartoons staat, heel bescheiden en soms nauwelijks vindbaar, de naam waaronder hij tekent. Zak.

Zojuist won hij de `Royale Belge', de nationale Pers Cartoon Prijs. Van de veertig genomineerde tekeningen kwamen er achttien uit zijn pen.

Daaronder hele simpele als die van het kruisbeeld dat in de hoek van een lege kamer op de grond ligt, onder het kopje `Kerk voor herwaardering rustdag'.

Maar ook gruwelijke.

De Rwandees die om plaatsen voor de openbare terechtstellingen belt, de telefoon neerlegt en teleurgesteld zegt `geen kaarten meer'. Waarop zijn vrouw, twee jengelende kinderen aan de hand, antwoordt: `De genocide was beter georganiseerd'. Of het Kosovaars echtpaar dat bepakt en bezakt van hun brandende huis wegloopt terwijl de man zijn vrouw bemoedigt: `Ze zeggen dat ze de plantjes water zullen geven'.

Och'', zegt hij in het modernfrisse Gentse appartement dat hem tot atelier dient. ,,Aan die naam moet u niet veel waarde toekennen. Jacques, Sjaak, Zak, `t is een naam die de mensen onthouden. Zak, dat neemt zo'n beetje het serieux weg.''

Och en tja en ach, zo'n beetje – dat zal hij die avond in dat atelier wel vaker zeggen. Hij is geen man van het grote eigen gelijk, van het dikke commentaar. ,,Ik weet helemaal niet hoe de wereld in elkaar zit'', zegt hij. ,,Gelukkig niet.''

Hij tekent wel een mening, maar altijd met de ondertoon dat het ook best anders in elkaar kan zitten. Wie weet denkt hij er morgen al anders over. ,,Dat is'', zegt hij, ,,eigenlijk wel de bedoeling van mijn cartoons. Dat ik laat zien dat ik het niet weet en dat niemand het eigenlijk weet. Denk ik. Zo'n beetje.''

We zijn dan al een flink eind op streek met het gesprek en we komen in de buurt van wat misschien wel, ach, zo'n beetje, het geheim is van zijn humor.

In de uren daarvoor heeft hij over zijn goedkatholieke Vlaamse jeugd verteld en over zijn mislukte huwelijk en over zijn late bloei als tekenaar. Of hij het nu over het een heeft of over het ander, bijna altijd monden zijn verhalen uit in een absurd beeld, in een flits van droevige humor, waar hij zelf heel even en zonder veel geluid om moet lachen. ,,In een grap'', zegt hij, ,,zit nooit humor. In humor zit soms een grap.''

Jacques Moeraert vertelt zoals Zak tekent.

,,Ik ben van 1948. In dat jaar werd de verklaring van de rechten van de mens geschreven. Ik ben van een goed jaar.''

In veel van zijn tekeningen speelt het Vlaamse echtpaar de hoofdrol. Het zijn geen vaste figuren, ze hebben geen naam, maar ze keren in vergelijkbare gedaante telkens terug. Een wat dikke onwetende man en een wat dikke dommige vrouw in bloemetjesjurk die aan het moderne digitale leven gaan deelnemen of aan een eigentijdse trend.

,,Dat is de Vlaamse mens'', zegt Jacques Moeraert, ,,dat zijn zo'n beetje de tantes en ooms die ik in mijn jeugd gekend heb, de Vlaamse arbeider. Dat is de mens die maar zo'n beetje rondloopt en alles ziet en hoort maar er eigenlijk geen mening over heeft en die doet wat hem gezegd wordt. Omdat het in de krant staat. Of omdat de televisie zegt dat het goed is. En die dan met zijn gsm boodschappen gaat doen, naar huis belt en zegt: `de erwtjes staan in de reclame'.

Natuurlijk loopt dat slecht af, die confrontatie.

,,Daar gaat het om'', zegt Jacques Moeraert. ,,Ik wil die mens niet belachelijk maken, ik wil niet om hem lachen, ik wil door zijn ogen de ingewikkeldheid laten zien van het leven dat vroeger voor die mens zoveel eenvoudiger was.''

Hij vertelt dat zijn vader heel zijn leven concierge van een nonnenklooster met meisjesinternaat geweest is, het Sint Bavoklooster, midden in Gent. Klusjes opknappen, tuin bijhouden. Nu is zijn vader oud en woont hij in een rusthuis.

,,Eigenlijk heb ik mijn vader altijd als oud gekend. Als een man die slofte. Ik word sinds kort gewaar dat ik ook slof, eigenlijk. Naar iets dat ik leuker vind dan waar hij naar toe slofte. Maar het blijft sloffen.''

Een gelukkige jeugd, zegt hij, heeft hij niet gehad en daar is hij blij om. Wat hij nu doet heeft hij aan het absurde van zijn jeugd te danken. ,,Stel u voor'', zegt hij, ,,zo evident was het niet om de hele zomer in zo'n nonnenklooster te spelen. Mijn twee broers en ik, we amuseerden ons verschrikkelijk. In de kapel ook. Elke zomer kwamen daar drie dagen lang de zieke mensen uit de klinieken en uit de verzorgingshuizen om God te danken en Hem hun ziekte op te dragen. Dan moesten wij zo'n beetje helpen met bedden schuiven en de mensen in karretjes voortduwen. Hele summiere rolstoelen, eigenlijk een stoel met vier wielen eronder. Als de zieken dan weg waren, want ze gingen 's avonds terug naar de klinieken, dan stonden die karretjes daar en en dan hadden wij heel die ruimte voor ons. We hielden dan koersen. Een voet op de treeplank van het karretje, met de andere steppen, langs de communiebanken, rond het altaar, een heel circuit hadden we aangelegd. De volgende ochtend gingen we dan weer braaf de zieke mensen duwen. En dan zag je dat van een van die wagentjes de wielen scheef stonden. Oei! Mijn broer! Uit de communiebocht gevlogen!''

Kwajongensstreken in een serene omgeving. Natuurlijk, zegt hij, vind je de echo daarvan in zijn tekeningen terug. Maar ook de bevreemding waarmee hij als kind naar de wereld en naar zijn omgeving keek, en waardoor hij zich van jongs af waarnemer, buitenstaander voelde.

De enige gelukkige mensen die hij tegenkwam, zegt hij, waren die nonnetjes. ,,Als ik die vergeleek met mijn vader, met dat bekrompen arbeidersmilieu van toen, met al die mensen die je in het café tegenkwam als je vader je meenam! Dat waren allemaal mensen die deden wat ze gezegd was dat ze doen moesten. Terwijl die nonnetjes, die liepen daar zo heel kinderlijk gelukkig te wezen. Zo van, we zijn hier een tijdje en straks komen we in het paradijs terecht! De opgeslotenen waren gelukkiger dan de mensen die ik buiten kende.''

Het was niet verschrikkelijk om in het ultraroomse Vlaanderen van toen een goedroomse opvoeding te krijgen. Het was vooral absurd.

,,Mijn grootmoeder was erg katholiek. Op een dag werd haar man ziek. Hij moest naar de kliniek in Gent. Zij ging hem daar elke dag opzoeken. Onderweg liep ze altijd een kapel binnen om kaarsen te branden. Toen stierf haar man, hij had kanker. En toen zei zij: `Nou, het helpt niet. Nu ben ik niet meer katholiek.' Sinds die dag heeft ze geen voet meer in een kerk gezet.''

Jacques Moeraert: ,,Als ik mij ergens tegen af heb moeten zetten, dan tegen die arbeiderswereld van mijn vader en van mijn ooms en van mijn tantes. De bekrompen wereld van mensen die thuis geen boek hebben, van mensen zonder ambitie. Mijn vader liep altijd in overall rond, die zei tegen zijn zoons: `om het even wat je gaat doen later, zorg dat je, als je naar je werk gaat, een das om hebt. Dan hadden we het gehaald. En dat je moet zorgen dat je binnen zit tijdens de winter. Wat je met je das om 's winters binnen uitvoerde – dat deed er niet toe. We moesten naar de handelsschool en bediende worden op een kantoor. Een stap meer dan hij, maar niet verder. Grieks en Latijn, daar deed je niks mee op kantoor.''

Zo kwam hij op de handelsschool terecht waar hij de hele dag leraren tekende en op kantoor waar hij debet- en creditnotas schreef en om zes uur naar huis rende om te tekenen of naar de tekenacademie om bij te leren. Hij schreef nota's voor een metaalhandel en voor een farmaceutisch bedrijf en voor god mag weten wat en hij vond, tegen zijn 25ste, een vrouw en een baan bij de dienst toerisme. Ze kregen een kind, de baan vergde meer concentratie dan hij, al tekenend op kon brengen. Hij is er, zegt hij, vast van overtuigd dat er tot de dag van vandaag mensen op een verlaten spoorperron met een verkeerd vliegtuigticket op de foute boot staan te wachten.

Hij was onderweg naar zijn dertigste. Zijn vader zei dat hij tevreden was.

En toen op een dag heeft hij in één keer met dat alles gebroken.

Zijn huwelijk noemt hij nu ,,precies zo'n seconde in mijn leven, een vergissing'', een tamelijk passieloze periode die hem is overkomen. Precies zoals je het moest toen, zoals de familie het van je verwachtte en waar je dan maar aan meedeed. Was hij ermee doorgegaan dan had hij nu het bediendenleven van zijn broers geleid, onder het goedkeurend oog van zijn omgeving.

Daar brak hij mee en vanaf toen wist hij het zeker. Hij zou alleen nog doen waar hij zin in had. Hij zou alleen nog tekenen.

Het Vlaamse echtpaar, dat ligt voor de hand, zijn de mensen zoals hij voorbestemd was om zelf te worden. ,,Och'', zegt Moeraert. ,,Daar zit wel zo'n beetje iets van het geheim van mijn humor. Die mensen zijn weerloos. Ze snappen er niks van. Ik behandel ze, ik wil niet zeggen met medelijden, maar wel met mededogen.''

Toen hij zich eenmaal vrij gemaakt had, zegt hij, kon hij op een kamertje gaan zitten schilderen en wachten totdat iemand zijn oor eraf sneed. Hij kon ook van zijn tekenpen gaan leven en zich bij de pers melden.

Hij koos het laatste.

Niet zo heel veel later was hij huistekenaar van De Morgen.

Jacques Moeraert: ,,Voor een krant werken, betekent dat de lezer in een flits moet kunnen zien wat er op staat. Ik tracht ernaar dat er op een tekening niets staat dat niet echt nodig is. Ik teken een restaurant waarin drie tafelgenoten rondlopen, pratend in een gsm. De vierde zit aan tafel te bellen. Die vraagt, waarschijnlijk aan zijn secretaresse: `kan je in mijn agenda zien met wie ik hier gezellig zit te tafelen?' Daar gaat het om. Dan mag dat restaurant zelf niet afleiden. Op het raam staat `Restaurant' om het efkes te situeren. Dat is voldoende. Er zitten uiteraard meer mensen in dat restaurant, ik kan meer tafels gaan tekenen. Maar die heb ik nergens voor nodig, dus die teken ik niet. Doodeenvoudig moet het zijn. Niks afleidends. Het essentiële erop en meer niet.

,,Binnen tien seconden, nee, binnen drie seconden moet de lezer de flits krijgen. Hij draait de pagina om, ziet de tekening en hup, hij moet ofwel lachen ofwel er niks aan vinden, in elk geval een emotie hebben.''

Die emotie heeft de tekenaar zelf nooit. Hij moet de flits bewerken, maar hij moet hem niet zelf hebben. ,,Eigenlijk'', zegt Jacques Moeraert, ,,ken ik mijn tekeningen niet. Ik herken ze.''

Hij zegt dat hij geen striptekenaar is. In feite, zegt hij, tekent hij elke dag een strippagina, maar ,,dan gebruik ik alleen het laatste plaatje''. Hij is geen verteller, hij tracht ernaar om het hele verhaal in een enkel plaatje te vangen. ,,Ik rek het niet.''

Dat is de techniek en die is, zegt hij, op zich zelf zeer moeilijk. Je kunt hem alleen toepassen als je uitgaat van het bekende, het clichébeeld eigenlijk, het beeld dat alle mensen kennen. Toen de film Schindlers List uitkwam, stond overal dat je die moest gaan zien. Iedereen moest naar die film. ,,Dus dan zoek ik naar een gekend beeld en dan teken ik zo van die veewagens waar soldaten allemaal mensen induwen die naar de cinema moeten.''

Er kwamen heel wat brieven tegen die tekening uit kringen van Antwerpse joden. Het is niet anders, zegt de tekenaar. Met humor kwets je altijd. ,,Er bestaat geen humor waarmee je niemand kwetst. Ja, humor waar niemand om moet lachen.''

Om de flits te bewerken, zegt hij, moet je het bekende beeld hebben en dat doortrekken.

Hij zoekt een sterk voorbeld. ,,Op de dag dat de lijkjes van An en Eefje opgegraven werden stonden alle media erbij met draaiende camera. Dat was verschrikkelijk. Je zag de beenderen, die werden op televisie vertoond. Dat had iedereen gezien. Dan trek ik dat beeld door. Dus dan graaf, of nee, pardon, dan teken ik een kuil waar een journalist met een micro in stapt die tegen een wurmpje zegt, jij was nogal close met An en Eefje, vertel er eens iets over.''

,,Als je niet doortrekt'', zegt Jacques Moeraert, ,,kom je nergens''.

Ook toen waren er veel mensen geshockeerd. Natuurlijk, zegt Jacques Moeraert. Maar dat is niet zijn opzet. Niks is zo makkelijk, zegt hij, ,,als een tekening maken die niemand wil publiceren. Ik tracht ernaar'', zegt hij nogmaals, let wel, ,,ik tracht er zo'n beetje naar om het gruwelijke beeld uit de gruwelijke werkelijkheid zo absurd door te trekken dat er een ongemakkelijk gevoel uit voortvloeit dat je humor noemen kunt en dat bitter en zoet, droevig en vrolijk, mild en venijnig tegelijk is.''

Hij vertelt het verhaal van zijn vader die hij een oorlogsheld noemt, omdat die bij het zien van de eerste Duitser zijn beide handen in de lucht heeft gestoken. Zijn ooms precies zo. Ze hebben de hele oorlog in de buurt van Hannover als krijgsgevangene bij een boer gewerkt. Ze kwamen terug en het was fantastisch geweest, een avontuur, hun grote avontuur. Ze vertelden er honderduit over, als je ze geloven moest was het een aanschakeling van grappige momenten. Daarna zijn ze weer gaan werken en voor vrouw en kinderen gaan zorgen en hebben ze nooit meer iets meegemaakt.

Jacques Moeraert: ,,Ik teken niet graag over Kosovo. Oorlog is erg, natuurlijk, maar daar hoef je geen tekening over te maken. Dat zie je soms in van die politieke cartoons, Soedan, hongersnood, erg. Het zal wel. Maar daarom hoef je er toch nog niet over te tekenen?''

Zelf tekent hij dan liever iets dat aan zijn vader en aan zijn ooms in de oorlog denken doet. Het is erg. Maar hoe halen wij zelf intussen uit de ellende ons voordeel? ,,Dus dan teken ik Soedan vol rustige autovrije winkelstraten. Of dan teken ik Belgrado waar nu al een paar aannemers in hun handen staan te wrijven want de stad moet straks toch weer heropgebouwd worden.''

Hij zegt dat hij in zijn jeugd, in dat Gentse arbeidersmilieu, vooral heel eenzaam geweest is, want dat hij wél graag boeken las. En dat hij altijd al in zijn eentje in een hoekje heeft zitten tekenen. En dat hij dat nu nog steeds doet – sinds een paar jaar in dat modernfrisse atelier van hem waar hij elke morgen trouw naar toe sloft.

Uiteindelijk, zegt hij, werkt het heel simplistisch. Er doet zich iets groots voor in de wereld. Bombardementen op Belgrado, maar de bommen vallen verkeerd. Dan denkt hij: wat zal zo'n eenvoudige mens die dat op de televisie ziet daar nu van denken? En dan tekent hij zo iemand die zijn gsm weggooit en zegt: als dat al mis gaat, met al die techniek, dan zal dit ding ook wel niet deugen.

Jacques Moeraert: ,,Ik trek het zo'n beetje terug op de onwetende, op de mens die over Kosovo niet praat alsof hij een strateeg is maar die eigenlijk denkt, je gooit geen bomen op iemands kop, want dat doet pijn. Maar die er verder ook niets aan doet. Net zoals de mensen uit mijn jeugd die in die arbeiderswereld zaten en die daar verder ook niets aan deden.''

Hij is de man die zich aan de wereld van zijn jeugd onttrokken heeft. En die sindsdien die wereld als ijkpunt neemt om te laten zien dat hij het zelf ook niet begrijpt.

Het resultaat is: humor.

Jacques Moeraert: ,,Heel vaak als ik naar mijn atelier loop denk ik: mijn vader kan tevreden zijn. Nu ga ik naar kantoor.''