Gepokt

DUIZENDEN jaren, tot 1977, waren de pokken een metgezel van de mens. De bakermat van het variolavirus is misschien India, misschien Egypte. De mummie van Ramses V (gestorven 1157 v.Chr.) vertoont pokken. Er zijn vele beschrijvingen van epidemieën uit tweeëneenhalf duizend jaar Indiase geschiedenis, maar pas na 1000 na Chr. zijn ze betrouwbaar genoeg om er zeker van te zijn dat het om pokkenepidemieën gaat. In India werden tot in deze eeuw kinderen pas meegeteld nadat ze de pokken hadden gehad. Ook in China sloeg het virus regelmatig heftig toe. Schipbreukelingen brachten in 735 de pokken in Japan; de bevolking werd gedecimeerd.

Waarschijnlijk maakte Europa pas kennis met het virus na het begin van de jaartelling. De Spaanse veroveringen in de Amerika's danken hun succes meer aan de pokken dan aan vuurwapens en paarden. In de tijd na Columbus verliepen de transatlantische reizen snel genoeg om besmette personen - onbedoeld - nog binnen de incubatietijd in Amerika te brengen. Cortes en zijn opvolgers decimeerden de Mexicaanse bevolking, goeddeels door de hoge pokkensterfte. Slavenhandelaars waren later als de dood voor de ziekte en kozen in Afrika liefst slaven die al gepokt waren, door de ziekte zelf of door variolatie.

Variolatie was het moedwillig inbrengen van pus van pokpatiënten bij iemand die de ziekte nog niet had gehad. Chinese artsen bliezen duizend jaar geleden al gemalen pokkorstjes met een blaasroer hoog in de neus van hun cliënten, om hen te beschermen tegen de ziekte. De Chinezen wisten al dat de pokstof niet te oud mocht zijn, maar ook niet te vers, want dan kregen de patiënten pokken. De sterfte bij deze immunisatie was gering vergeleken met het dodental bij een natuurlijke infectie. Later verspreidde de immunisering zich naar India en daarna naar de islamitische wereld, ook in Afrika. Daar brachten de artsen de pokstof niet in de neus maar in huidwondjes in. Een sterfte van een paar procent onder de behandelde patiënten werd daarbij geaccepteerd.

In het begin van de achttiende eeuw groeiden de pokkenepidemieën in Europa uit tot een plaag die de bijna verdwenen pestgolven effectief verving. Variolatie raakte ook in Europa bekend. De geletterde Lady Mary Wortley Montagu, vrouw van de Britse ambassadeur in Turkije, leerde de methode in Constantinopel kennen. Ze liet haar zoon in 1718 en, terug in Londen, haar dochter in april 1721 varioleren. En ze schreef erover. Een golf van protesten spoelde over deze `ontaarde moeder', maar het Hof toonde belangstelling. Twee opeenvolgende Britse koningshuizen waren in de voorgaande decennia namelijk zwaar door de pokken getroffen. In april 1722 werden de twee dochters van de prinses van Wales ge(ïn)oculeerd.

Variolatie werd toch geen doorslaand succes. De sterfte onder de gevarioleerden en de besmettelijkheid voor de omgeving was te groot. Zelfs in een eeuw waarin uiteindelijk 60 miljoen Europeanen stierven aan de pokken en ook tientallen miljoenen blind werden. Maar in 1798 kwam een andere methode beschikbaar. Toen publiceerde Edward Jenner zijn geschrift `An Inquiry into the Causes and Effects of the Variolae Vaccinae'.

Jenner (1759-1823) was een Engelse plattelandsarts met grote wetenschappelijke belangstelling. Hij was lid van de Royal Academy. Jenner werkte verder met de volkswaarneming dat mensen die koepokken hadden gehad meestal geen mensenpokken meer kregen. Variolatie sloeg bij hen meestal ook niet aan. Incidenteel hadden leken de koepokenting beproefd, maar allerlei waarnemingen spraken elkaar tegen. Jenner was de eerste die wetenschappelijk en systematisch te werk ging. Hij maakte echter één grote fout: tot zijn dood hield hij vol dat hervaccinatie onnodig was. Zijn tegenstanders konden daardoor na verloop van tijd wijzen op heel wat dodelijke slachtoffers die zich na eenmaal vaccineren immuun hadden gewaand.

De introductie van koepokvaccinatie werd een groot succes. Binnen twee jaar waren alleen al in Groot-Brittannië 100.000 mensen gevaccineerd, terwijl de variolatie in de negen jaar na 1721 slechts door 1.000 mensen in Europa en Noord-Amerika was ondergaan. Jenners boek werd direct in vele talen vertaald.

In de Bataafse Republiek waren geneesheren en `beleidsmakers' enthousiast over de mogelijkheid om goedkoop de bevolking aan zich te verplichten. Het was echter moeilijk aan de juiste koepokstof te komen; niet veel koeien ontwikkelden de uierziekte waarbij men de stof kon afnemen. Sommige virologen denken dat Jenner zelfs na verloop van tijd is overgegaan tot het enten met een verzwakte stam van het menselijke pokvirus. Als dat waar is, zou hij daarmee eigenlijk een varioleur zijn geworden.

In de meeste landen ging men snel over tot het enten van koepokken van mens op mens. Spanje zond de koepokken naar zijn koloniën met een schip waarop een twintigtal wezen een levende wezen vormden van succesievelijk gevaccineerden. De mens-op-mens-enting bracht echter ook andere ziekten over, zoals syfilis, tuberculose of hepatitis.

Het effect van vaccinatie was overigens beperkt. In Berlijn voorkwam in het begin van de vorige eeuw vaccinatie weliswaar kindersterfte door pokken, maar de totale kindersterfte nam niet af. Dertig andere infectieziekten stonden klaar om de plaats van de pokken in te nemen.

Felle tegenstanders vond men onder orthodoxe protestanten en onder strijders voor burgerrechten. Zij wezen overheidsdwang af en hamerden op de sterfte door complicaties en op de vele mislukte immunisaties. Dat laatste verbeterde toen revaccinatie standaard werd. De koepokken geven geen levenslange immuniteit.

Jenner profeteerde in 1802 dat de pokken uiteindelijk uitgeroeid zouden worden. Daarin kreeg hij wel gelijk. In Europa en Noord-Amerika werden epidemieën zeldzaam. Maar in de rest van de wereld waren er vijftig jaar geleden nog jaarlijks 15 miljoen patiënten van wie er 2 miljoen stierven.

Met het succesvol verminderen van de plaag werden de gevaren van vaccinatie steeds duidelijker. Dat is het lot van elke geslaagde preventie. Begin deze eeuw liet men in Nederland, met zijn verplichte lager onderwijs, leerlingen alleen op school toe met een pokkenbriefje, een bewijs van inenting.

Deze `zijdelingse vaccinatiedwang' zette in christelijk-orthodoxe kringen kwaad bloed waarbij zij vooral wezen op de ernstige bijwerkingen van het vaccin. Jaar na jaar stond vaccinatie op de agenda van de Gezondheidsraad maar het pokkenbriefje bleef. De voorstanders buitten een kleine epidemie in Tilburg begin jaren vijftig uit, maar de tegenstanders konden aantonen dat na de Tweede Wereldoorlog meer doden door vaccinatie dan door pokken vielen.

In 1959 besloot de WHO om de voorspelling van Jenner uit te laten komen. Ze begon een campagne om de pokken uit te roeien. In 1967 werd het serieus aangepakt. Patiënten werden onmiddellijk geïsoleerd, de bevolking werd voorgelicht en de vaccinatiegraad werd opgevoerd. Tien jaar later was een Somaliër de laatste patiënt. Op 9 december 1979 tekende de WHO-commissie het document waarin de wereld pokkenvrij verklaard werd.

De pokken konden uitgeroeid worden, omdat het enige reservoir van het virus de mens is, het ziektebeeld duidelijk herkenbaar en de incubatietijd kort. Inmiddels zijn er andere mensenziekten die de WHO op relatief korte termijn wil uitroeien. Daartoe behoren polio, hepatitis en dracontiasis (guineawormziekte).