Eindelijk opstand!

Zo arm was Curaçao niet, maar de inkomensverdeling was ongelijk en er heerste onvrede over de Antiliaanse politiek. Dertig jaar na de opstand in Willemstad is er nauwelijks iets veranderd op het eiland. `De neger heeft zichzelf op Curaçao nooit durven verheerlijken.'

Vraag een Curaçaoenaar naar mijlpalen in de geschiedenis van zijn land, en hij zal vrijwel zeker de dertigste mei 1969 noemen. Misschien de vestiging van het Nederlandse gezag in 1634, misschien de grote slavenopstand van Tula in 1795, misschien de komst van de reusachtige Shell-raffinaderij in de jaren twintig, misschien het bereiken van autonomie binnen het Koninkrijk in 1954 – maar in ieder geval die dertigste mei. Op die dag, nu precies dertig jaar geleden, brandde Willemstad.

Een uit de hand gelopen arbeidsconflict was uitgemond in een mars op de stad. Die mars nam vervolgens het karakter aan van een revolte waarin sluimerende ressentimenten over ongelijk verdeelde welvaart en raciale barrières tot ontlading kwamen. Nederlandse mariniers werden ingezet om de orde gewapenderhand te herstellen.

Toen de rook was opgetrokken, bleek een deel van de historische binnenstad afgebrand. Niet echt als bedoelde uitkomst, maar toch ook niet helemaal bij toeval. Er was samengezworen tegen de bazen en de politiek, een mars als deze was al lang voorbereid door een groepje radicale vakbondsleiders en enkele zelfbenoemde revolutionairen. Maar eenmaal in gang was gezet kreeg de mars een eigen gewelddadige dynamiek die niemand had voorzien. Er was bewust met vuur gespeeld, en al volgde voor velen de kater snel, er waren er die in het vuur een loutering zagen. Niet eerder was de verdeeldheid van Curaçao zo duidelijk aan het licht gekomen. Zoveel woede: het eiland, zo werd allerwegen gevoeld, zou nooit meer hetzelfde zijn.

Tot op vandaag roept de herinnering aan die dag op Curaçao heftige emoties op. In Nederland daarentegen is de herinnering vervlogen. Toch werd indertijd ook hier deze episode, en vooral het eigen militaire ingrijpen, als traumatisch ervaren.

De aanleiding leek onschuldig. Een arbeidsconflict bij een onderaannemer van Shell leidde tot oplopende spanningen en solidariteitsstakingen. Tot woede van de vakbondsleiders en de stakende arbeiders hield de overheid zich afzijdig. In de ochtend van de dertigste mei startte een protestmars van het Shell-terrein naar Willemstad. Jongeren, vaak zelf werklozen, sloten zich aan. De mars liep uit op plunderingen en brandstichting. Buitgemaakte alcohol verhitte de gemoederen verder. De leuzen werden politieker, provocerender: Ta kos di kapitalista, kibra nan numa (`Het zijn zaken van kapitalisten, vernietig ze maar!'), Mata e kachónan di Gobièrnu. Mata e makambanan (`Dood aan de honden van de regering! Dood aan de Nederlanders!'). In kleding en leuzen werd gelonkt naar Fidel Castro's Cuba en naar Black Power.

De zittende regering moest worden vervangen door een arbeidersregering – steeds duidelijker klonk hier de invloed van enkele revolutionairen, die het arbeidsgeschil gebruikten om hun eigen ideeën op de agenda te krijgen. Er werd gevochten. De politie schoot, er vielen gewonden en twee doden. Een van de leiders van de mars, `Papa' Godett, werd door een kogel getroffen en zwaargewond afgevoerd. Daarna verloren de leiders iedere controle. Brandstichters en plunderaars trokken door het oude centrum. De mars was uitgemond in het woedende vuur van een oncontroleerbare massa.

De eigen politiemacht kon de situatie absoluut niet aan. De Antilliaanse regering deed in paniek een beroep op Nederland om onmiddellijk militair in te grijpen. Nederland aarzelde niet. Kón ook niet weigeren: de Antillen en Suriname waren dan wel sinds 1954 autonome landen van het Koninkrijk. Maar het Statuut dat de onderlinge relaties regelde, bepaalde ook dat in gevallen van nood de landen elkaar onderling dienden bij te staan.

Concreet betekende dit dat het Koninkrijk (lees: Nederland) nu verplicht was met grootscheepse inzet van Nederlandse mariniers de orde te herstellen. De eerste lichting kon direct vanuit de basis op het eiland zelf worden ingezet. Vervangers werden vanuit Schiphol ingevlogen. Enkele uren nadat de mariniers waren uitgemarcheerd, was de orde hersteld – en gingen de eerste beelden de wereld rond van Nederlandse mariniers, met de karabijn in de hand patrouillerend in de smeulende straten van wat abusievelijk wel werd aangeduid als een Nederlandse `kolonie'. Nederland voelde zichzelf te kijk staan.

Op Curaçao kwamen de gebeurtenissen uiteraard harder aan. De krant Amigoe di Curaçao schreef onder de kop `Einde van een mythe': ,,In minder dan een etmaal is van een deel van Curaçao, wellicht voorgoed, het loden masker afgerukt van een onbekommerd, zorgeloos bestaan in de Caraïbische zee. De mythe van de gemoedelijkheid van dit deel van het Curaçaose volk vond een abrupt einde in de smeulende puinhopen van de talloze panden, die in de as werden gelegd.''

Wie vandaag op Curaçao vraagt naar die dertigste mei, stuit nog altijd op heftige en tegenstrijdige emoties. Verbijstering, trots, woede, opluchting, onbegrip. Verdriet, schaamte. ,,Iedereen huilde'', zegt bankier Lio Capriles.

De toen jonge nationalist Frank Martinus Arion herinnert zich nog levendig zijn ontsteltenis van toen, maar ook een gevoel van bevrijding dat de geknechte Curaçaoenaar eindelijk in opstand kwam: ,,Het was goed dat het gebeurde.'' Zo niet de blanke Curaçaose auteur Boeli van Leeuwen: ,,Angst fladderde als een vlinder in mijn buik.''

Achter de tegenstrijdigheid van die emoties, toe en nu, gaat een gedeelde vertwijfeling schuil: het besef dat er inderdaad veel fout was op het eiland, woede dat de samenleving dit niet tijdig had onderkend en aangepakt, teleurstelling dat zo'n uitbarsting nodig was geweest om het eiland wakker te schudden, al was het maar voor even, ontsteltenis over het geweld. En grote twijfel of de dertigste mei uiteindelijk veel goeds heeft opgeleverd.

Hoe hoger, hoe blanker

Al was de dertigste mei voor vrijwel iedereen als een donderslag bij heldere hemel gekomen, over de achtergronden ontstond vrij snel een duidelijk beeld. Armoede, achterstelling: Curaçao was vergelijkenderwijs niet eens zo arm, maar de inkomensverdeling was zeer ongelijk en had bovendien een onmiskenbare raciale dimensie. Al klommen wel Antillianen uit de zwarte volksklasse omhoog op de sociale ladder, toch bleven verhoudingen uit de koloniale tijd vrijwel intact: hoe hoger, hoe blanker. Een al te zichtbare ongelijkheid, een tastbare bron van frustratie.

En dan was er onvrede met het functioneren van de Antilliaanse politiek. In 1954 hadden de Nederlandse Antillen en Suriname na lange en moeizame onderhandelingen eindelijk de status van autonoom land binnen het Koninkrijk verworven. Lokale politici maakten nu de dienst uit. Hun bewind stond echter voor velen gelijk aan vriendjespolitiek, machtsmisbruik, patronage.

De onvrede met de politieke elite leefde het sterkst onder jonge Antillianen die na studies in Nederland terugkeerden op Curaçao. Zij hielpen een klimaat te creëren waarin de dertigste mei mogelijk werd, waarin een arbeidsgeschil kon worden vertaald in politieke strijd. Via een postkoloniale omweg bracht deze groep de westerse jaren zestig naar Curaçao: politiek en cultureel verzet, socialisme, anarchisme, maoïsme, de roep om seksuele bevrijding, flower power. Daarbij kwam nog het juist in de Caraïben sterk aansprekende radicalisme van Black Power.

Een strak georganiseerde tegenbeweging was het al met al niet. Wel had de beweging één centrale figuur, de opmerkelijk genoeg blanke Curaçaose onderwijzer Stanley Brown. Een beslissende verbinding tussen de onvrede van deze jongeren en de vakbondsstrijd was gelegd, toen Brown en de vakbondsleiders Godett en Amador Nita elkaar vonden. Dit driemanschap stond aan de wieg van de dertigste mei.

Politicus Anthony Godett, leider van de mede door `Papa' opgerichte partij Frente, bezweert dat zijn overleden vader de grote leider was: ,,Nu vecht ik nog voor een standbeeld voor hem.'' Brown denkt daar anders over: ,,Ik ben de Voltaire van dertig mei geweest, de spirituele leider, de spil van de organisatie. Ík ben degene geweest die geweld heeft gepredikt en de anderen heeft meegekregen.''

Brown ervoer het geweld van die dag inderdaad als een loutering, als een overwinning. Dat het gros van de demonstranten die dag met vergelijkbare ideeën op pad ging, is twijfelachtig.

Op Curaçao heeft de dertigste mei haast mythische proporties aangenomen. Een mijlpaal, een uitbarsting die nazindert, zo zegt men op het eiland. Maar over de erfenis wordt heel verschillend geoordeeld. Diepe, en alleszins begrijpelijke, frustraties over sociaal-economische ongelijkheid leven nog steeds, alleszins begrijpelijk; en ook vandaag geldt nog dat de elite veel lichter van kleur is dan de volksklasse.

Niet dat alles hetzelfde bleef. Zwarte Curaçaoënaars zijn wel doorgestroomd naar de eilandelijke elite, maar dat is een onevenwichtig proces geweest: `antillianisering', ja – alleen in politiek en ambtenarij, nauwelijks in het bedrijfsleven. De na de revolte aangevatte `antillianisering' heeft wél een lange rij zwarte of gekleurde gouverneurs, premiers, ministers en gezaghebbers opgeleverd, maar of deze bestuurders ook anders en vooral beter functioneerden dan hun voorgangers is zeer de vraag.

Feit is dat Curaçao vandaag in een diepe economische en sociale crisis verkeert, en dat de kritiek op de onmacht van de hedendaagse politiek vrijwel identiek is aan de kritiek die dertig jaar geleden werd uitgeschreeuwd. Een groot deel van de Afro-Curaçaose bevolking leidt nog altijd een armzalig bestaan. Onvermijdelijk roept trinta di mei daarom niet slechts onder intellectuelen, maar ook onder de Afro-Curaçaose volksklasse zeer gemengde gevoelens op.

De dertigste mei, zegt Stanley Brown vandaag, was `de laatste negeropstand': een volgende revolte zal zijn gericht tegen de huidige, overwegend Afro-Curaçaose bestuurders. Brown zelf heeft zijn conclusies getrokken: sinds 1994 leidt hij een partij die aansluiting als provincie bij Nederland voorstaat. Curaçao is te klein en bekrompen voor fatsoenlijke en daadkrachtige politiek, meent de eeuwige rebel nu.

Verstikkend regime

Toch is het niet alles kommer en kwel. De dertigste mei gaf ook de stoot tot een herwaardering van de eigen Curaçaose identiteit. Waar ooit de Nederlandse of westerse cultuur in algemene zin als maatgevend werden beschouwd, kreeg nu het eigene meer erkenning: een breed scala van culturele uitingsvormen, van muziek en schilderkunst tot de lokale voertaal, het Papiamentu. En, hoe glibberig het begrip ook is, iets van raciale trots.

Uit het verzet tegen de `Nederlandse norm' spreekt de geest van verzet van de dertigste mei. Maar ook hier plaatsen prominente Curaçaoenaars kanttekeningen. Heeft Curaçao zich wérkelijk bevrijd van oude koloniale obsessies? Over kleur bijvoorbeeld? ,,De neger'', zegt psychiater Herbert de Windt, ,,heeft zichzelf op Curaçao nooit durven verheerlijken.'' De dertigste mei gaf wel een zetje in de goede richting, maar toch slijten complexen langzaam: ,,Daar zal nog eens een jaar of dertig overheen moeten gaan.''

Volgens Jandie Paula, rector van de Universiteit van de Nederlandse Antillen, lijdt het eiland aan stuurloosheid. Oude normen zijn mede door de revolte verdwenen, maar er is te weinig voor terug gekomen: ,,De Afro-Curaçaoënaar is nog steeds op zoek naar zichzelf.'' Voormalig gouverneur René Römer is niet veel optimistischer: ,,Tot dertig mei had de Kerk het voor het zeggen. Er was nauwelijks ruimte voor intellectuele vrijheid. Dat verstikkende regime is terecht opgeruimd, maar er is geen nieuwe culturele elite voor in de plaats gekomen.''

Bij de revolte van mei 1969 was de verhouding tot Nederland nog een ondergeschikt punt. Nederland en Curaçao lagen in figuurlijke zin veel verder van elkaar dan vandaag. De exodus naar Nederland was nog niet op gang gekomen, Nederland respecteerde angstvallig de Antilliaanse autonomie, de Caraïbische rijksdelen trokken nauwelijks de belangstelling van de Nederlandse politiek of publieke opinie. Hun onafhankelijkheid stond niet serieus op de agenda. Ook in dit opzicht markeerde de dertigste mei het einde van een periode.

Nederland schrok van de revolte in deze vermeende `oase van rust', maar vooral van het eigen militaire ingrijpen. De mariniers waren ingezet op verzoek van de Antilliaanse regering, maar toch leek het Nederlandse imago in het geding. Onmiddellijk ontstond een debat in de Nederlandse politiek en media over de Koninkrijksrelaties. Dit debat werd mede gevoed door het Haagse idee dat het ingrijpen in het buitenland werd opgevat als laakbaar neokoloniaal optreden – overigens een volstrekte overschatting van de buitenlandse belangstelling voor dit incident.

Hoe dat zij, binnen de kortste tijd ging de Haagse politiek ijveren voor de beëindiging van de Koninkrijksrelaties, terwijl men daarover in de voorgaande jaren slechts met waardering had gesproken. Nu was de overtuiging dat Nederland zich in een onmogelijke situatie bevond. Betekende het respecteren van de autonomie van de Antillen en Suriname een afzijdigheid van het lokale bestuur, ook als dat faalde of lokaal grote spanningen opriep? Dan zou ook in de toekomst Nederland weer gehouden zijn de orde te herstellen als de zaak uit de hand liep.

Hieruit konden twee conclusies worden getrokken: óf Nederland moest zijn handen geheel aftrekken van `de West' en het Statuut beëindigen, óf Nederland moest zich sterker laten gelden inzake de waarborging van deugdelijk bestuur.

In de jaren zeventig en tachtig koos de Nederlandse politiek voor eerstgenoemde optie. De onafhankelijkheid van de Antillen en Suriname, en daarmee de beëindiging van het Statuut, werden vrijwel Kamerbreed gedragen doelstellingen van het Nederlandse beleid. In de eerste na mei 1969 verschenen partijprogramma's, in 1971, was de onafhankelijkheid van de Caraïbische rijksdelen plotseling een thema geworden, en draaiden de onderlinge verschillen voornamelijk om termijnen. De Nederlandse publieke opinie dacht er niet anders over.

De moeilijkheid bestond in het vinden van een draagvlak overzee. Dit werd, formeel althans, wel in Suriname gevonden, dat dan ook door het kabinet-Den Uyl aan een `model-dekolonisatie' werd onderworpen. De Antillen weigerden halsstarrig hetzelfde traject te volgen. Pas in 1990 zou Nederland erkennen dat twintig jaar aandringen op onafhankelijkheid was stukgelopen op deze weigering.

Inmiddels was Nederland via ontwikkelingshulp al steeds sterker betrokken geraakt bij de eilanden. Nu ging Nederland zich bovendien intensiever bezighouden met de deugdelijkheid van het bestuur overzee. Zo werd Nederland in dit paradoxale dekolonisatieproces juist een hoofdrolspeler op de eilanden. Andersom is Nederland zelf steeds dichter bij de eilanders komen te liggen. In 1969 bedroeg het aantal Curaçaoënaars in Nederland rond de 10.000. Nu is dat het negenvoudige, tegen een nog geen 150.000 op het eiland zelf. En ook daarom is de dertigste mei vaderlandse geschiedenis geworden.

Naar de overkant

Sinds mei 1969 is de waarschuwing voor een herhaling van de revolte te pas en te onpas gebruikt – in controverses van 'raciale' aard, door vakbonden om werkgevers tot soepelheid aan te sporen, in de politieke arena van Curaçao, door Antilliaanse politici in hun streven naar meer Nederlandse financiële steun of juist minder bemoeienis, door bezorgde Nederlandse bestuurders.

Curaçao is inderdaad in crisis.

Toch is er geen tweede revolte geweest. Waarom niet?

De vluchtweg richting Nederland is van groot belang. Zolang die openblijft, kan een deel van de Curaçaose problematiek zich blijven verplaatsen naar de overkant, met alle problemen van dien, maar waardoor in ieder geval op het eiland stoom van de ketel wordt gehaald. Daarnaast kent Curaçao geen sterke oppositionele, laat staan 'revolutionaire' beweging meer. Ook dat hangt samen met het verontrustende feit dat steeds meer jonge Antillianen na hun studie in Nederland blijven.

Anders dan dertig jaar geleden spelen nu in vrijwel ieder debat over de Antilliaanse crisis verwachtingen over de Nederlandse opstelling een belangrijke rol. De lokale politiek zit gevangen in de afhankelijkheid van Nederland, die onvermijdelijk frustraties oproept. Dat geldt ook voor de Antilliaanse burger, die overigens wat méér aan Nederland zou willen overlaten dan de politicus. Beiden menen echter dat datzelfde 'moederland' onvoldoende respect en waardering voor de eilandlijke cultuur kan opbrengen – en dat terwijl juist de roep om respect een van de leuzen was van de dertigste mei.

Nu Nederland een zoveel prominenter speler in de Antilliaanse werkelijkheid is geworden, wordt het ook zelf steeds verder betrokken bij deze ambivalenties van een bevolking en een politiek leiderschap in crisis. Met alle twijfels en risico's van dien.

Het recept is nog niet gevonden. Uitgerekend de grand old man van de in 1969 regerende Democratische Partij, Ronchi Isa, ooit een militant verdediger van de autonomie, oordeelt nu: 'Ik ben ontzettend teleurgesteld in de houding van Nederland. De Curaçaose samenleving verkeert nu in een grotere crisis dan dertig jaar geleden, maar Nederland doet helemaal niks. Bang voor het verwijt daardoor onze autonomie aan te tasten, bang voor het verwijt neokoloniaal op te treden. De politici zijn er sinds de dertigste mei niet moediger op geworden, hier niet en in Nederland niet.'

Dertig jaar na de revolte, Curaçao in crisis en Nederland onzeker hoe te handelen. Steeds meer Nederlandse vakantiegangers weten het eiland te vinden, steeds meer Curaçaoenaars zoeken hun toevlucht tot Nederland. En het trieste kwatrijn van de toenmalige gouverneur Cola Debrot, geschreven kort na de dertigste mei, blijft maar schreeuwen om weerlegging:

Droevig eiland droevig volk

droevig eiland in de kolk

van de maalstroom

van de maalstroom

droevig eiland zonder tolk.

Volgende week verschijnen twee door Gert Oostindie geredigeerde boeken: `Dromen en littekens. Dertig jaar na de Curaçaose revolte, 30 mei 1969' en `Curaçao, 30 mei 1969. Verhalen over de revolte'