Democratische lekkernijen

Als ik nu naar de stembus moest, vraagt u? Geen enkel probleem. Wat dat betreft ben ik net Wiegel. Al dertig jaar koester ik mijn principes. Vanaf de dag dat het liberale wonderkind naar de microfoon greep, wist ik precies op welke partij ik mijn stem moest uitbrengen. Als het had gekund, had ik op die datum graag een volmacht aan het stembureau gegeven om bij elke nieuwe ronde hetzelfde hokje helder rood te kleuren. Een soort automatische incasso, waarmee ik de duurzaamheid van mijn idealen kon beschermen tegen de eigen vergeetachtigheid of een tijdelijke morele inzinking. Of, wat achteraf ook een geweldig voordeel was geweest, tegen de regelmatig terugkerende vertwijfeling die bezit van mij nam als de door mijn stem tot leven gewekte poppetjes in de Tweede Kamer aan de haal gingen met diezelfde idealen. Bij een eenmaal afgegeven volmacht had ik mij daar verder niet om bekommerd. Voor beide partijen een voordelige regeling.

Nu weet ik wel dat zo'n principiële kiezer als ik bepaald geen sierraad is voor de levende democratie. Als iedereen zo zijn stem uitbracht, zou het hele parlementaire bedrijf snel vastdraaien in een uitzichtloze loopgravenoorlog, waarin de partijen zich zo diep in de ideologische modder hadden ingegraven, dat op het slagveld nog slechts het ruisen van de wind te horen was. En daarvan kan, zoals bekend, een politicus niet leven.

Het is daarom maar goed dat de meeste burgers meer verantwoordelijkheid tonen en hun idealen inwisselen als de politiek daarom vraagt. In de afgelopen dertig jaar zorgden zij ervoor dat er in Den Haag iets te beleven viel. Niet alleen dat poppetjes kwamen, maar ook dat poppetjes gingen. Dankzij de kiezers die hun principiële standpunten durfden in te ruilen voor nieuwe kwam er steeds meer politieke speelruimte en kon de afgelopen jaren zelfs geëxperimenteerd worden met buitengewoon creatieve regeringscombinaties.

Van al die moedige burgers vormde het zwevende kiezersgedeelte het elitecorps. Deze electorale parachutisten waagden zich zonder enig beginsel of ideaal in het stemlokaal. Pas op het allerlaatste moment maakten zij contact met de grofstoffelijke wereld van de politieke machtsstrijd door een willekeurige toets op de stemcomputer te beroeren. Daarmee veroorzaakten zij zoveel vrolijke verwarring en opwinding dat men in Den Haag weer vier jaar door kon blijven experimenteren.

De principiële kiezer daarentegen, hij die de inhoud verkiest boven de urgentie van het oppervlakkige moment, heeft geen enkele bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de moderne democratie. Door de harde pragmatici in de politiek wordt hij om die reden vaak afgeschilderd als een lui varken, of een bescheten angsthaas. Zijn idealen zou de principiële kiezer alleen maar gebruiken om de politieke vooruitgang tegen te houden. Lekker makkelijk en geen vuile handen.

Daar zit, eerlijk gezegd, wel wat in. In mijn geval kan ik niet ontkennen het onvermogen om mijn politieke mening te veranderen gevoed wordt door de onwil om daarvoor ook mijn best te doen. Het ontwarren van het ragfijne besluitvormingsproces in de hogere echelons van bestuurlijk Nederland vereist een enorm intellectueel doorzettingsvermogen, dat alleen op te brengen is voor een fulltime beleidskundige aan de Universiteit van Leiden. Als eenvoudig kiezer, met talloze andere prioriteiten in het weekeinde, kan ik dat er niet even naast doen. Wellicht is dat luiheid.

Maar luiheid komt nooit alleen. Op de achtergrond schemert altijd de angst, en ook daarin hebben de critici gelijk wat mij betreft.

Toen ik dertig jaar geleden mijn electorale harnas aantrok had ik het inderdaad spaansbenauwd. Als debuterend kiezer kon je niets ergers overkomen dan te beginnen met een foute keus. In die tijd, eind jaren zestig, was dat een onvoorstelbare schande. Maar naast deze algemene, en betrekkelijk onschuldige plankenkoorts was er ook een reële angst die mij en veel van mijn generatiegenoten in haar greep hield. De angst voor Hans Wiegel. De diepe angst dat dit wonderlijke talent, eenmaal doorgestoten naar het centrum van de macht, er persoonlijk voor zou zorgen dat de hele rock&roll revolte van toen gesmoord werd in een brei van brave dixieland en dorpse hoempaklanken. De angst dat het klootjesvolk onder zijn leiding gemobiliseerd werd en zwaaiend met De Telegraaf vanuit Amstelveen en Buitenveldert zou optrekken om onze alternatieve tempels in de binnenstad uit te mesten. De angst dat dat zelfgenoegzame, bolle biergezicht, dat zo triomfantelijk uit de blauwe blazer stak, tot onze dood spottend op ons neer zou blijven kijken en ons bestaan belachelijk zou maken. Een generatiegenoot, jazeker, maar al bij zijn geboorte een overloper naar het ouwelullen kamp. Die man was levensgevaarlijk. Mijn wiegelangst noopte mij toen mijn stem uit te brengen op een partij waarvan ik zeker wist dat die nooit, maar dan ook nooit enige serieuze aandacht zou besteden aan het gedachtegoed van de jonge Hans en zijn meepijpende geestverwanten.

Dit principiële standpunt heb ik dertig jaar ingenomen. Daarmee heb ik, ik geef het toe, de democratie geen dienst bewezen. Wiegel zelf heeft zich door mijn starre houding ook niet laten wegjagen, en in mijn partij zijn zijn populistische slogans van toen zelfs onderdeel van het verkiezingsprogramma geworden. Allemaal voor dus?

Niet helemaal. Met die dixieland is het nooit meer wat geworden. En, eerlijk is eerlijk, mijn heldere principe brengt nog altijd uitkomst in het stemlokaal. Zelfs als Wiegel onverhoopt verbannen wordt naar zijn antiekboerderij, en D66 met cadeaus overladen terugkeert in het kabinet, denk ik dat ik het handhaaf. Met al die referenda, burgermeesterverkiezingen, districtenstelsels, en god weet wat nog meer voor democratische lekkernijen, zou ik niet meer zonder kunnen.